Nederlands

zelfstandige- en bijvoegelijkenaamwoorden

Zelfstandige naamwoorden

Zelfstandige naamwoorden zijn woorden waarvoor je de, het of een kunt voorzetten. Zelfstandige naamwoorden zijn woorden die "een zelfstandigheid" aanduiden. Dit kunnen bepaalde zaken zijn als mensen (vrouw, Jan), dieren (hond), dingen (pc, tak), maar ook plaatsen (Maastricht, Eijsden) en sociaal emotionele zaken als gevoelens (haat, liefde), tijdruimtes (minuten, uren), eigenschappen (grootte, gewicht), gebeurtenissen (aanrijden, moord) en denkbeeldige figuren (eenhoorn, pikachu), etc.

Oefenzinnen zelfstandige naamwoorden

Geef de zelfstandig(e) naamwoord(en) aan.



  1. Het boek ligt daar.
  2. Iris heeft het meegenomen.
  3. Ze komt uit Maastricht.
  4. Dat ligt dicht bij Eijsden.
  5. Ik ga naar het park.
Het zelfstandig naamwoord

Bijvoeglijk naamwoorden

Bijvoeglijk naamwoorden geven een eigenschap of toestand aan van een zelfstandig naamwoord. Bijvoeglijk naamwoorden staan vaak direct voor een zelfstandig naamwoord waar ze bij horen, maar ze kunnen ook apart in een zinsdeel voorkomen.


Bijvoeglijke naamwoorden kunnen op vier manieren gebruikt worden:


• Attributief:

Wanneer het bijvoeglijk naamwoord geplaatst wordt voor een zelfstandig naamwoord


  • Het groene handvat — De intelligente vrouw — De lange man
  • Een groen handvat — Een intelligente vrouw — Een lange man


• Zelfstandig:

Het woord wordt zelfstandig gebruikt waarbij verwezen wordt naar een beken begrip



  • Wilt U een rode stoel of liever een groene? Het liefst heb ik die blauwe.
  • Ik heb gestemd op de Groenen.


• Predicatief:

Wanneer het een belangrijk deel van een naamwoordelijk gezegde is



  • Een handvat is groen — Een vrouw is intelligent — Een man is


• Bijvoeglijk:

Het bijvoeglijk naamwoord wordt als bijwoord gebruikt



  • hij tuiniert groen

Oefenzinnen bijvoeglijk naamwoorden

Geef de bijvoeglijk(e) naamwoord(en) aan.



  1. Piet ging naar de grote winkel.
  2. Hij kocht daar een hele grote zak chips
  3. Er stond een mooi meisje achter de oude kassa.
  4. Maar helaas was ze 60 jaar.
  5. Toen moest Piet heel erg hard huilen.
De rode fiets; voor het leren van bijvoeglijke naamwoorden

Bijvoeglijk naamwoorden afgeleid van zwak- en sterk werkwoorden

Een voltooid deelwoord wordt ook wel eens gebruikt als bijvoeglijk naamwoord. Het is dan geen werkwoord meer, maar vergelijkbaar met woorden als 'lang', 'groen' en 'sterk': het zegt iets over het woord dat erna komt.


Bij sterke werkwoorden veranderd de klank, dit is ook zo bij het voltooid deelwoord.


Bij zwakke werkwoorden veranderd de klank niet.


sterk = hele werkwoord - verleden tijd - voltooid deelwoord:

  • zwemmen - zwom - gezwommen
  • lezen - las - gelezen


zwak = hele werkwoord - verleden tijd - voltooid deelwoord:

  • werk - werkte - gewerkt
  • leven - leefde - geleefd


Antwoorden oefenzinnen

  1. Het boek ligt daar.
  2. Iris heeft het meegenomen.
  3. Ze komt uit Maastricht.
  4. Dat ligt dicht bij Eijsden.
  5. Ik ga naar het park.
  6. Piet ging naar de grote winkel.
  7. Hij kocht daar een hele grote zak chips
  8. Er stond een mooi meisje achter de oude kassa.
  9. Maar helaas was ze 60 jaar. [STRIKVRAAG]
  10. Toen moest Piet heel erg hard huilen.