DELIER

Arlina, Ebtissam, Mieke en David

Wat is een delier?

Een delier is een stoornis waarbij de hersenen tijdelijk niet in staat zijn om alle prikkels samen te voegen tot een logisch samenhangend beeld van de werkelijkheid. De verwardheid is meestal tijdelijk maar kan ook chronisch zijn als de onderliggende oorzaak onbehandelbaar is. Het kan uren tot dagen duren en sterk wisselen. Als gevolg van een delier gedraagt de cliënt zich verward, angstig, onrustig, of in geval van een stil delier, apathisch en initiatief loos. Het bewustzijn is wisselend gestoord: perioden van verwardheid worden afgewisseld met heldere momenten. De cliënt is moeilijk aanspreekbaar en ruikt of hoort dingen die er niet zijn (hallucinaties), of wordt gehinderd door irreële ideeën waar hij niet vanaf te brengen is (wanen). De oorzaak is altijd één of meerdere lichamelijke (somatische) aandoeningen. Als deze worden verholpen, zal het delier verdwijnen.

Behandeling

De behandeling van een delier richt zich op drie zaken:

1. Behandeling van de somatische aandoening en medicatie onder de loep nemen.

2. Behandeling van het delier zelf. Met medicatie kan grote onrust, angst, waanideeën en hallucinaties worden bestreden.

3. Inzetten van ondersteunende maatregelen, als een klok om het besef van tijd te verbeteren. Het besef van realiteit wordt verbeterd door vertrouwde voorwerpen, personen of foto's in de buurt. Houd eventuele bril of gehoorapparaat bij de hand. Geef voorlichting aan de familie en zorg ervoor dat de cliënt goed eet of drinkt.
De periode dat een delier duurt, kan variëren van enkele uren tot enkele dagen en soms enkele weken. De duur is niet alleen afhankelijk van de ernst van de onderliggende somatische aandoening, maar ook van de toestand van de cliënt. Als het delier wordt uitgelokt door beschadiging van de hersenen zelf, kan herstel lang op zich laten wachten of is er geen herstel meer mogelijk.

Delier voorkomen

Een delier kan op elke leeftijd voorkomen maar ouderen hebben een verhoogde kans. Je bent kwetsbaar voor een delier als je geheugenproblemen hebt of als je eerder een delier hebt gehad. Een delier voorkomt je door:

* Het creëren van een vertrouwde omgeving.

* Een veilige en rustige omgeving.

* Als iemand zich kan oriënteren in tijd, plaats en persoon.

* Een kalm en duidelijke benadering.

* Aandacht voor dag- en nachtritme. Dus goede nachtrust en een goed dagprogramma.

* Als je voldoende eet en drinkt.

Wat kun jij doen als begeleiding?

Wees alert op een delier als een cliënt mogelijk tot een risicogroep behoort. Een geringe aanleiding, bijvoorbeeld een blaasontsteking, kan bij deze groep al een delier veroorzaken. Start dan ook tijdig met de DOS-schaal. Spreek rustig en in korte zinnen. Zeg wie je bent en wat je komt doen als je de kamer binnenkomt. Herhaal dit indien nodig. Noem de dag en de plaats en vertel de cliënt waarom hij daar is. Bezoek is erg belangrijk, maar veel personen tegelijk of een te lange bezoektijd in één keer is vermoeiend en verwarrend. Het bezoek hoeft niet steeds te praten, hun aanwezigheid is al genoeg. Laat de familie enkele vertrouwde zaken meenemen, zoals een foto, een klok of een kalender. Let erop dat bril of gehoorapparaat worden gebruikt. Maak het delier bespreekbaar. Sommige cliënten weten wat ze doen en schamen zich er achteraf voor. Zorg voor goede verlichting, open overdag de gordijnen, zorg 's nachts voor een bedlampje of sluimerverlichting. Ga niet mee in de hallucinaties of waanideeën. Probeer deze niet tegen te spreken, maar maak duidelijk dat jouw waarneming anders is. Praat over bestaande personen en echte gebeurtenissen. Tot slot, realiseer je dat iemand met een delier ziek is en zich niet anders kan gedragen dan hij doet, al lijkt het soms of de cliënt zijn best niet doet.

* Gebruik duidelijke korte zinnen.

* Noem je eigen naam als je binnen komt en zeg wat je komt doen.

* Zeg welke dag het is en welk tijdstip.

* Stel eenvoudige keuzevragen. Dus niet : “wat wilt u drinken?” , maar bijvoorbeeld: “wilt u koffie?”.

* Beschrijf de realiteit als de verwarde cliënt deze fout interpreteert, maar doe dit niet bestraffend.

* Probeer te praten over alledaagse voorvallen in de directe omgeving.

* Zeg het als je weggaat, wanneer je terugkomt of wie er na jou komt.

* Gebruik niet alleen woorden om dingen duidelijk te maken, maar ook gebaren en lichaamstaal, zoals oogcontact en aanraken.

* Zorg voor een aantal herkenbare oriëntatiepunten, zoals bekende en vertrouwde voorwerpen, bijvoorbeeld foto’s en kleding.

* Probeer een gevoel van veiligheid te bieden door bijvoorbeeld te troosten en in te gaan op onrustige en/of verwarde gevoelens te corrigeren.