De pruikentijd

De 17e eeuw

Barokmuziek

De barok duurde ongeveer van 1600 tot 1750 en volgde op de Renaissance. Barokmuziek is een vorm van westerse klassieke muziek, en als stijl was het de opvolger van renaissancemuziek. De oude, antieke stijl maakte in deze periode plaats voor de modernere stijl van de klassieke muiziek
Barokmuziek barok muziek viool bonporti concert in E op 11 nr 9 I musici klassiek concert

Toneel & Dans

Lodewijk XIV was dol op dansen en daarom wilde hij graag deze vorm van kunst terug brengen aan het hof.
Hoewel zijn vader in meerdere balletten in de rol van een zonnegod of -koning was opgetreden, is Lodewijk XIV tenslotte de geschiedenis ingegaan als Zonnekoning. Zo voelde hij zich ook. Hij was het toppunt van het Koningschap uit het ‘Ancien Régime’.

architectuur

Rococo is een Europese stijlperiode in de beeldende kunsten, die zijn hoogtepunt beleefde tussen 1730 en 1760. De naam is afgeleid van het Franse woord rocaille, een asymmetrisch schelpmotief dat in de 18e eeuwse barok veel gebruikt werd in met name de toegepaste kunst. Het woord rocaille gaat terug op de Franse woorden roc (rots) en coquilles (schelpen) en geeft aan dat het vooral om een decoratieve stijl gaat.

De stijl ontstond in Frankrijk en Italië als reactie op de strenge Classicistische barok van rond 1700. De daarop volgende rococostijl, ingeluid door de régence, belichaamde een geraffineerd gevoel voor de kunsten in een samenleving die elegantie, gekunsteldheid en luchthartige geestigheid hoog aansloeg.

Als hoogtepunten van deze stijlperiode kunnen genoemd worden de luchtig geschilderde taferelen van Watteau, Fragonard, Boucher en Tiepolo, de uitbundige Zuid-Duitse rococokerken, enkele zeer rijk gedecoreerde paleizen in Frankrijk, Duitsland, Oostenrijk en (sommige met rococotuinen) en de elegante Franse meubels, klokken, serviezen en zilverwerk uit deze periode.

meubilair

Je zag vaak stijlen, die lodewijk XVI stijlen werden genoemd. Kenmerkend zijn symmetrische krullen, palmetten, voluten, vazen, kariatiden, putti en loofwerk. Men sprak in de tijd zelf van ‘modern', ‘nieuwmodisch' en van ‘ornamenten na den nieuwsten zwier'. Grillige, fantasierijke en organische vormen, met name het gebruik van ‘rocailles', schelpen, rotsen, waterplanten en bloemen zijn kenmerkend.


Oudere meubelen zijn vaak zwaar, ze werden aanvankelijk zelfs uit een enkel stuk hout vervaardigd, en er kwam nog geen metaal aan te pas. In de 17e eeuw deden gevorderde technieken hun intrede: het houtdraaien maakte lichtere uitvoeringen mogelijk, bekledingen werden geïntroduceerd, en versieringen (vergulden, lakken) werden toegepast.