Nederlands

Zij, hun en hen

Het programma

  1. Zij en hun
  2. Hun en hen
  3. Zij, hun en hen
  4. Theorie
  5. Zoek op
  6. Werkblad maken / reader
  7. Werkblad nakijken
  8. Studiemeter
  9. Evalueren - afronden

Het doel

Zij, hun en hen op correcte wijze toepassen

4. Theorie

Wanneer pas je zij, hun of hen toe?

Zij gebruik je:

  • als onderwerp


Voorbeeld

Fout: Hun doen dat nooit!

Goed: Zij doen dat nooit!


Hun gebruik je:
  • als bezittelijk voornaamwoord --> Dat is hun auto.
  • als meewerkend voornaamwoord --> Hij heeft hun een duw gegeven.


Hen gebruik je:

  • als lijdend voorwerp --> Marie heeft hen getrakteerd.
  • na een voorzetsel --> Marie heeft de traktatie aan hen gegeven.

5. Zoek op

  1. Hoe vind je de persoonsvorm?
  2. Hoe vind je het gezegde?
  3. Hoe vind je het onderwerp?
  4. Hoe vind je het lijdend voorwerp?
  5. Hoe vind je het meewerkend voorwerp?

6. Het werkblad / reader

Maak het werkblad en de opdracht uit reader 2 (les 11)

7. Nakijken

Kijk je werk na. De nakijkboeken liggen op mijn bureau.

8. Studiemeter

Ga naar studiemeter en maak:
  • 2F --> Stijl --> Hun / zij
  • 2F --> Stijl --> Zij / hun / hen

Ben je klaar? Maak:
  • 2F --> Lezen --> Opdracht 1, 2 + 3

9. Evalueren en afronden

We gaan de les bespreken.
  • Wat vond je van de les?
  • Wat vond je goed gaan?
  • Wat vond je lastig?
  • Wat heb je geleerd?
  • Heb je tips en tops?