afbraak en opbouw: ijs;

Hoe werkt de opbouw en afbraak van ijs? Alaska en Nederland

Geologie van alaska

Alaska is een van de staten van Amerika en ligt in het oosten van Canada. Het ligt op de Noord-Amerikaans plaat. Alaska bestaat uit bijna 50 stukken aardkorst die in de loop van tijd bij elkaar kwamen door te drijven over de gesmolten aardmantel. Al die stukken aardkorst kwamen uit verschillende geologische tijdperken die miljoenen jaren later Alaska hebben gevormd. Door al die stukken aardkorst was er dus veel gebergtevorming, onder andere gletsjers. Als je wilt weten uit welke periode een deel van de aardkorst stamt dan zijn fossielen een goed hulpmiddel. Fossielen zijn versteende resten of afdrukken van planten die in de aardkorst zijn bewaard. In Alaska is laatst zo een fossiel gevonden, van een nieuw soort dinosaurus die waarschijnlijk 69 miljoen jaar heeft geleefd. Toen was Alaska er dus al, maar terwijl het nu bedekt is met sneeuw en ijs was het toen een overdekt bos met een warmer klimaat. Alaska was miljoenen jaren geleden dus nog een ondiepe zee. Maar dat veranderede doordat 60 miljoen jaar geleden een breuk ontstond in een vulkaan, de lava stroomde langzaam uit de vulkaan en stroomde het landschap op. Hierdoor werd de grond veranderd in het gesteente graniet. Door botsingen in bij de platen kwam de granieten grondlaag naar boven en ontstonden er langzaam aan bergen. Ijs heeft het landschap verder gevormd. Het landschap van Alaska is nu bergachtig en bedekt met ijs. Alaska is dus ongeveer 69 miljoen jaar geleden gevormd. Dat is op een geologische tijdschaal in de periode tertiair en in het tijdvak Paleoceen. Hieronder zie je een plaatje van hoe het landschap eruit zag in het tijdperk paleoceen. Zo zag Alaska er miljoenen jaren dus ongeveer uit.

Big image

Gletsjers

Hoog in de bergen is er bijna altijd sneeuw, de sneeuw kan niet worden opgevangen op de bergtoppen dus valt in de spleten van de berg, zo een verzamelbekken van sneeuw heet een firnbekken. Firn is een soort sneeuw dat ontstaat door het ontdooien en bevriezen van de bovenste laag sneeuw in de firnbekken. Het sneeuw daar stapelt zich in de loop van de jaren op. Onderste lagen in de firnbekken worden samengeperst omdat het gewicht van de lagen daar boven op steeds groter word omdat er elk jaar meer sneeuw bij komt. Als de firnbekken te vol raken dan glijd de zo genoemde ijstong langzaam naar beneden en komt in het dal terecht. Een firnbekken met zo'n schuivende ijstong word ook wel een gletsjer genoemd. Als de ijstong bijna in het dal is dan komt hij ook niet veder dan dat wat de grond word namelijk steeds warmer, waardoor de ijstong begint te smelten en er smeltwater ontstaat. Dit water vormt uit eindelijk een gletsjerrivier. Een koude periode waarin er op het land veel gletsjers ontstaan heet een ijstijd of glaciaal. In de afgelopen 2.5 miljoen jaar zijn er veel ijstijden geweest, ze duren ongeveer 100.000 jaar. Tussen die ijstijden warmde de aarde zich weer op. Zon periode noem je een interglaciaal. Interglacialen duren vaak niet langer dan 20.000 jaar. Wij leven nu in een interglaciaal. Alaska is staat vol met bergen onder andere ook gletsjers, Alaska telt ongeveer 100.000 gletsjer die zijn verspreid over het hele land. Ruim 5% van de oppervlakte van Alaska is bedekt met de gletsjers. Ze zijn voor een groot deel ontstaan door het hoge aantal neerslag en het koude klimaat, doordat het er vaak sneeuwde werden de ijsmassa’s steeds groter en groter. Maar steeds meer beginnen ze te smelten. Dit komt doordat de aarde zich opwarmt, een oorzaak hiervan is de mens omdat het aantal co2 steeds hoger wordt.

Big image

Ijstijden

Ijstijden zijn perioden in het verleden waarin het klimaat veel kouder is dan nu. Tijdens zo een periode valt er meer sneeuw in de winter dan dat er in de zomer smelt. Omdat er zoveel sneeuw valt ontstaat er een sneeuwdek. Het sneeuwdek zorgt voor meer weerkaatsing van zonnestralen, waardoor het nog kouder wordt. De sneeuw hoopt zich langzaam op en wordt samen gedrukt met ijs, hieruit ontstaat een gletsjer. Tijdens de ijstijden breiden de gletsjers zich sterk uit, en vormen grote ijskappen in het hoge noorden. ijstijden hadden niet alleen in het noorden grote invloed. Over de hele wereld veranderde het klimaat, overal waren de gletsjers groter. Doordat er veel water in de ijskappen zat, was de zee spiegel tientallen meters lager. Hierdoor vielen veel ondiepe zeeën droog.

Nederland is tijdens zeker twee ijstijden gedeeltelijk met ijs bedekt geweest. Dat heeft grote gevolgen gehad voor het landschap. Vooral van de voorlaatste ijstijd (het saalien) is nog veel terug te vinden in het relief van Nederland. In die tijd zijn de heuvelruggen in midden en oost Nederland ontstaan. Ze zijn omhoog gedrukt door het ijs, Door de druk van het gletsjerijs werden de grondlagen onder de gletsjers opzij gedrukt en over elkaar heen geschoven. Waar de grond weg gedrukt werd ontstonden diepe bekkens. Smeltwaterstromen zetten zand en grind af langs de rand van het ijs. In noord-Nederland werd keileem afgezet onder het ijs (keileem is een mengsel van klei, zand, grint, stenen en leem). De grote zwerfstenen in Nederland zijn vaak door het ijs aangevoerd. Tijdens de laatste ijstijd kwam het landijs niet verder dan Denemarken en Noord Duitsland. Wel was het klimaat in de stadialen (koudere periode binnen een glaciaal) erg koud, het grootste deel van de laatste ijstijd groeide er geen bomen in Nederland. In de extreem koude periode van 21000 tot 18000 jaar geleden was er een poolwoestijn waarin er heel veel wind was. We vinden veel windafzettingen (materiaal dat is neergelegd door de wind) uit die tijd, dat op veel plaatsen als een deken van een paar meter dik over oudere afzettingen heen ligt (dekzand).

Glaciale landschapsvormen

Door het enorme gewicht van gletsjers en landijs hebben ze gezorgd voor een grote schurende werking (erosie). Er zijn daardoor verschillende glaciale landschapsvormen ontstaan, waaronder een morene. Een morene bestaat uit puin (zand, gruis, stenen, rotsblokken) dat door een gletsjer is vervoerd. Er zijn vaak hoogteverschillen in het morenelandschap, onder de tekst zie je een foto van een morenelandschap. Bij een zijmorene ligt er puin aan de zijkanten van een gletsjer. Een middenmorene ontstaat op het punt waar twee gletsjers samenkomen. Aan de uiterste grens van het landijs ligt een eindmorene die bestaat uit puin dat de gletsjer voor zich uit heeft geschoven en heeft opgedrukt. Een grodmorene bestaat uit sediment (afzetting van materiaal dat door wind, water of ijs getransporteerd)dat onder de ijslagen achterblijft als de gletsjer smelt. Een voorbeeld daarvan is keileem. Doordat het landijs zich via de rivierdalen verplaatste schoof het niet vooruit in rechte lijnen, maar in ijstongen. Het landijs diepte rivierdalen uit tot zogenaamde tongbekkens. Stuwwallen (bijvoorbeeld de Utrechtse Heuvelrug en de Veluwe) ontstonden doordat de druk van het ijs de zijkanten van de rivierdalen opzij- en omhoog duwde. In berggebieden schuurden de gletsjers diepe trogdalen uit. Ze hebben een U-vorm; steile bergwanden met een vlakke dalbodem. In Noorwegen zijn de trogdalen ondergelopen met met zeewater. Daar heten ze fjorden. In Nederland zijn ook glaciaale landschapsvormen ontstaat, waarondere stuwwallen. In ons land zijn de meest opvallende overblijfselen uit het saalien. Vanuit Scandinavië gleed toen een ijskap in zuidelijke richting over Europa. Het landijs dat vanuit Scandinavië tot op de lijn Haarlem-Utecht-Nijmegen door gleed kwam daar dus tot stilstand. Op die lijn, maar ook in noordelijkere gebieden in Nederland, zijn stuwwallen te vinden. Omdat er stuwwallen zijn zijn er ook glaciale bekken. Je kan ze bijvoorbeeld vinden bij Amsterdam, in het ijsseldal, ten oosten van Nijmegen en ten noordoosten van Emmen. De Gelderse vallei(een voormalig Maasdal) is ook een glaciaal bekken. Tijdens de Saalienijstijd gebruikte het ijs de laagte van het Maasdal als een pad voor zijn weg richting het zuiden. De Maas moest hierdoor zijn loop verleggen richting het westen. Het glaciale bekken is opgevuld met klei en zand nadat het ijs wegtrok. Het is echter wel altijd een lage, natte plaats gebleven.

Big image
afbraak en opbouw; ijs.