Verbranding

Esther Veldman & Pascale Stokvis

Verbrandingsverschijnselen

Een brand herken je aan verbrandingsverschijnselen zoals: licht, rook, gloeien, vonken, brandgeur en warmte ontwikkeling.

Bij een brand ontstaan in elk geval koolstofdioxide, waterdamp en vaak ook vaste stoffen.

De vaste stoffen komen voor in vonken, rook, roet of as.

Wat is een vlam?

Ee vlam is een gloeiend gas.

Een vlam bestaat uit:

1. Het kaarsvet, dat is het onderste gedeelte .

2. De kern, dat is het binnenste van een vlam.

3. De mantel, zit om de kern.

4. De zoom zit om de mantel.

Wanneer ontstaat roet?

In de gele vlam zit roet daarom kan je hem goed zien.

In de blauwe vlam zit geen roet en zie je dus minder goed.

Een ruisende vlam met blauwe kern hoor je heel goed en je ziet de vlam minder goed, er zit geen roet in, de luchttoevoer staat dan helemaal open.

Bij een goede verbranding ontstaat geen roet.

Branden en blussen

Bij verbranding heb je drie brandvoorwaarden nodig: zuurstof, brandbare

stof en temperatuur. Als je één van de drie weghaalt blus je.

Benzine en oliebranden blus je met schuim, koolstofdioxide of een branddeken of het dicht doen van de kraan. water is hier geen goed blusmiddel want benzine en olie drijven op water dus het vergroot de vlam.

welke stoffen ontstaan bij verbranden?

bij verbranding reageert de brandstof met zuurstof. als reactie producten ontstaan oxiden. voorbeelden van oxiden zijn: koolstofdioxide en natriumoxide.

Reactie schema van een verbranding

1.Beginstoffen en de reactie producten opschrijven.

2. De reactie schema opschrijven in woorden. Links beginstoffen met een + ertussen. Dan een -> en dan rechts de reactieproducten (ook met een + ertussen)

3. Van elke stof het symbool of de kommaformule opschrijven.

4. Het reactie schema opschrijven in symbolen door woorden te vervangen door formules

5. Controleren of aan de linker en rechter kant van de pijl dezelfde symbolen voorkomen.

De fase van een stof aan geven

Als een stof vast is dan zet je er een S achter.

Als een stof vloeibaar is dan zet je er een L achter.

En als een stof een gas is zet je er een G achter.

Hoe doe je onderzoek

1. Bedenk een onderzoeksvraag.

2. Bedenk een onderzoeksplan.

3. Voer het onderzoeksplan uit.

4. Noteer het resultaat.

5. Beoordeel het resultaat.

6. Geef antwoord op de onderzoeksvraag.

Volledige/onvolledige verbranding

Volledige verbranding:

Door voldoende luchttoevoer komt er voldoende zuurstof bij het gas en verbrand het gas volledig.


Onvolledige verbranding:

Er ontstaat roet en veel van het giftige gas door dat er onvoldoende zuurstof toevoer is.

Je herkent het aan de gele vlam. De gele vlam word veroorzaakt door gloeiende roet deeltjes.

Milieuproblemen van fijn stof verminderen

Je verminderd de toename van fijn stof door roetfilters in diesel motoren te bouwen

Katalysator

de uitlaat van nieuwe auto's word van een katalysator voorzien omdat er onverbrande koolwaterstoffen vrijkomen. De katalysator zorgt ervoor dat onverbrande verbrandingsgassen met de nog niet verbruikte zuurstof omgezet worden in koolstofdioxide, water en stokstof.