Groepsdynamica

Samenvatting kennisbasisbegrippen groepsdynamica

Samenvatting groepsdynamica

Groepsdynamica

1. Grondslagen van de groepsdynamica

Hoofdstromingen in de groepsdynamica

Wie zich verdiept in de groepsdynamica, zal een grote variëteit aan theoretische oriëntaties tegenkomen. Hoewel deze verscheidenheid aan benaderingen soms verwarrend kan lijken, weerspiegelt zich daarin dat de groepsdynamica nog betrekkelijk jong is en zich krachtig heeft ontwikkeld.

Ø De interactietheorie

Deze theorie, die vooral ontwikkeld is door Bales en Homans, vat de groep op als een systeem van met elkaar in interactie verkerende individuen. Vanuit 3 basisbegrippen, interactie, activiteit, sentiment, wordt een uitgebreide theorie opgebouwd, waarin andere begrippen als status en leiderschap worden afgeleid van de basisbegrippen.

Homans ontwikkelde een groot aantal stellingen in de vorm van hypothesen. De belangrijkste daarvan is bekend geworden onder de naam

‘interactiehypothese’, ook wel ‘sociaalcontacthypothese’ genoemd: als er frequente interacties zijn tussen de leden van een groep, zullen er gevoelens van onderlinge genegenheid groeien en deze gevoelens zullen op hun beurt weer leiden tot verdere interacties. Van Homans stamt ook het onderscheid tussen het externe en het interne systeem, dat erg verhelderend is gebleken voor het verkrijgen van meer inzicht in communicatieprocessen binnen organisaties, vooral met betrekking tot het ontstaan en functioneren van informele netwerken binnen organisaties.

Bales is voornamelijk bekend geworden door zijn interactieanalyse aan de hand van een nauwkeurig observatieschema. In dit observatieschema onderscheidt hij 2 hoofdgebieden van groepsinteractie:

1. Een taakgebied

2. Sociaalemotioneel gebied

Taakgerelateerde activiteiten zijn activiteiten die groepen ondernemen om hun doel te bereiken, zoals het uitwisselen van informatie om tot een zo rijk mogelijk referentiekader te komen.

- Pogingen tot antwoord (1)

- Vragen (2)

Sociaal-emotionele activiteiten zijn activiteiten die ervoor zorgen dat de groep op een positieve manier met elkaar samenwerkt, zoals het geven van hulp aan een ander groepslid.

- Positieve reacties (3)

- Negatieve reacties (4)

Voor elk van deze 4 gebieden (1, 2, 3, 4) noemt hij 3 observatiecategorieën.

Op grond van nauwkeurig observaties in tientallen deelonderzoeken formuleert Bales een theorie van groepsontwikkeling die nauw aansluit op dit schema en uitmondend in besluitvorming:

- Een fase van oriëntatie (vragen en geven van informatie)

- Een fase van evaluatie (vragen en geven van meningen)

- Een fase van controle (vragen en doen van voorstellen)

-

Deze driefasentheorie is ook wel bekend geworden als het BOB-model van besluitvorming, naar de driedeling beeldvorming, oordeelsvorming, besluitvorming.

Verwant aan de interactietheorie is de:

De systeembenadering en de veldtheorie

In de systeemtheorie worden groepen gezien als systemen waarbij ieder deel van het systeem (een groepslid) van invloed is op de rest van de delen van het systeem, met andere woorden op de rest van de groepsleden. De focus in de systeemtheorie ligt dan ook op de onderlinge betrekkingen in groepen.

De systeembenadering onderzoekt de verbanden tussen verschillende soorten

‘input’ en ‘output’ van het systeem. In de theorievorming spelen begrippen als

homeostase (evenwicht), feedback, systeemgrenzen en regulatiemechanismen een belangrijke rol.

Met de veldtheorie deelt de systeemtheorie een sterke belangstelling voor de processen waarmee groepen intern een evenwicht proberen te handhaven.

De veldtheorie is voornamelijk gebaseerd op het werk van Lewin. Lewin gaat er vanuit dat een groep als het ware een psychologisch krachtenveld vormt. In dit krachtenveld bevinden zich krachten die van invloed zijn op het gedrag en op de ontwikkeling van een groep. In deze theorie worden krachten onderscheiden die de ontwikkeling van een groep bevorderen en krachten die de ontwikkeling juist afremmen.

Ø Benaderingen uit de sociale psychologie

Omdat groepen bestaan uit individuen, kan men verwachten dat opvattingen en theorieën over menselijk gedrag die ontwikkeld zijn in de sociale psychologie, teruggevonden worden in groepsdynamische studies. De sociale psychologie bouwt hierbij voort op motivatietheorieën, leertheorieën en waarnemingstheorieën uit de algemene psychologie.

In de algemene psychologie met in het bijzonder de cognitieve theorie wordt er gekeken naar hoe mensen informatie uit de omgeving verwerken in hun eigen cognities en gedrag. Veranderingen in cognities en/ of gedrag kunnen bijvoorbeeld gevolg zijn van een discussie waarin groepsleden in aanraking zijn gekomen met denkbeelden van anderen waardoor zij een eigen opvatting en/ of gedrag hebben veranderd, bijgesteld of aangevuld.

Ø De psychoanalytische benadering

Van speciaal belang voor de groepsdynamica zijn de psychoanalytische grondbegrippen verdringing, identificatie, regressie, afweermechanismen en projectie. Ook de theorie rond het onbewuste kan voor een deel verklaard wat er in groepen gebeurt.

De psychoanalytische benadering heeft zich in eerste instantie alleen bezig gehouden met individuen. Een aantal begrippen die in deze benaderingen worden gebruik zijn echter ook geschikt voor inzicht in groepen. Bijvoorbeeld de theorie over het bewuste en onbewuste van mensen. In groepen wordt er dan gesproken over het manifeste niveau en het latente niveau van een groep. Het manifeste niveau heeft betrekking op het direct observeerbare gedrag en het latente niveau is het onbewuste dat bepaalt wat de groep doet, het stuurt het gedrag van de groep.

Ø Humanistische benadering

Trainingen in de humanistische traditie leggen een sterke nadruk op methodieken voor zelfactualisatie in allerlei vormen (‘persoonlijke groei’). Dit kan de vorm krijgen van expressie van zichzelf naar de buitenwereld en naar anderen toe, en ook van het uitbreiden van de eigen ervaringsmogelijkheden. Kenmerkend voor dergelijke humanistische trainingsmethodieken is de aandacht voor de menselijke ontmoeting, de plaats die gegeven wordt aan lichamelijke processen (vgl. bio-energetica), het gebruik van fantasieën en

levendige voorstellingen van groepsleden, het opheffen van blokkeringen in de energiestroom van de groep en de nadruk op expressie en actie.

Organisatieontwikkeling

Aandacht voor de context en de maatschappelijke omstandigheden komt naar voren in de groepsdynamische theorievorming door een groep sociaalpsychologen die zich aanvankelijk met groepstrainingen heeft beziggehouden. Al vrij snel in de geschiedenis van de trainingsbeweging in Amerika gingen in de jaren vijftig van de vorige eeuw aarzelende pogingen tot maatschappelijke tot maatschappelijke oriëntatie echter weer verloren.

De bekommernis om maatschappelijke problemen die zeer expliciet door

Lewin wel zo bedoeld was, maakte al snel plaats voor intra- en interpersoonlijke vragen, zoals ‘hoe kom ik nij jou over’, ‘kan ik jou vertrouwen’,

‘druf ik mezelf te laten kennen in deze groep’ en dergelijke. Daarmee verdwenen externe vragen, zoals ‘hoe vindt besluitvorming plaats binnen deze organisatie en hoe kunnen we daarin tot verdere democratisering komen’. Autoriteitsconflicten in de organisaties werden in trainingen steeds meer herleid tot persoonlijke conflicten tussen de deelnemers en de trainer.

Naarmate steeds meer klinisch psychologen zich met groepstrainingen gingen bezighouden, verdween de maatschappelijke dimensie volledig.

In Nederland valt op dat vooral sociaalpsychologen zich hiervan distantieerden en zich meer op complexe samenwerkingsverbanden gingen richten in reële maatschappelijke situaties, waarbij ze gegevens probeerden toe te passen op problemen binnen teams en organisaties.

In Belgïe heeft in de sociaalpsychologen een andere ontwikkeling plaats gevonden. Daar zijn sociaalpsychologen zich sterk gaan richten op gedragswetenschappelijk onderzoek binnen experimentele laboratoriumsituaties, waarmee de dynamiek van groepen in belangrijk emate ziek is geraakt.

Zo trad er binnen de trainingsbeweging een splitsing op in 2 stromingen: enerzijds trainers met een hoofdaandacht voor relaties en persoonlijke groei van de deelnemers, en anderzijds trainers met een hoofdaandacht voor organisatieontwikkeling.

De aandacht voor organisatieontwikkeling heeft in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw een schat aan onderzoeksgegevens en theorieën opgeleverd over het functioneren van groepen in complexe maatschappelijke verbanden. Hierbij valt te denken aan de bijdragen van Argyris, Bennis, Blake, Mouton, Hersey en Blanchard, McGregor, Mintzberg, Reddin en Schein.

(Remmerswaal, Begeleiden van groepen; Groepsdynamica in de praktijk, 2006, pp. 180, 181, 182, 183, 184, 185)

Taakaspecten en

sociaalemotionele aspecten

Bij een zorgvuldig opgezette large group intervention zoekt men expliciet naar een balans tussen taakaspecten en sociaal-emotionele aspecten. Dit wordt duidelijker wanneer we de taakaspecten en de sociaal-emotionele aspecten verder uitsplitsen.

Daarom is het handig om het taakniveau nader op te delen in 2 sub niveaus:

- het inhoudsniveau en

- het procedure niveau.

Het sociaal-emotioneel niveau kunnen we opsplitsen in:

- het interactieniveau en

- het bestaansniveau.

Samenvattend:

- Het inhoudsniveau: het werk aan de doelstelling en de taak (wat)

- Het procedureniveau: de werkwijze ter concretisering van de doelstelling (hoe)

- Het interactie niveau: het groepsproces en de onderlinge betrekkingen (tussen)

- Het bestaansniveau: het individuele proces van elk groepslid (binnen) De groepsdynamische factoren van een large group intervention spelen vooral op interactie niveau en het bestaansniveau. (Remmerswaal, Begeleiden van groepen; Groepsdynamica in de praktijk, 2006, p. 247)

Emotionele aspecten

Emotionele zekerheid en vertrouwdheid ontstaan wanneer gevoelsmatige reacties de onderlinge relaties ondersteunen en voeden. Aan deze behoefte wordt niet voldaan door sociaal prestige of door erkenning van je positie in de groep. Het vraagt direct ervaren van ondersteuning in de relatie met elkaar. (Remmerswaal, Begeleiden van groepen; Groepsdynamica in de praktijk, 2006, p. 278)

Persoonswaarneming

Wanneer je iemand voor de eerste keer ziet, geldt het principe van “de eerste indruk” Hoe is die persoon? Wat is zijn karakter…… Afhankelijk van het beeld (+ of –) dat gevormd wordt, gebeuren er interacties tussen die mensen of niet.

Wanneer we dus voor het eerst iemand leren kennen, kijken we vooral naar het volgende

• Uiterlijk: vooral dit is een factor waardoor we ons laten leiden. In 125 milliseconden kunnen we al meteen zeggen of deze persoon een knap iemand is of niet.

• Stemgeluid: die persoon kan er best knap uitzien, maar een vreselijke hoge, lage of irritante stem hebben. Dan is dat ook meteen een serieuze teleurstelling.

• De gedragingen: we leren iemand kennen die knap is en een zeer aangename stem heeft, maar we merken op dat hij zich altijd wil laten opmerken, steeds veel lawaai in huis heeft… kortom: zijn gedragingen bevallen ons allesbehalve goed.

De persoonswaarneming hoeft niet noodzakelijk rechtstreeks te gebeuren. Je kunt ook een bepaald beeld over iemand vormen op basis van een persoonsbeschrijving die je vrienden en vriendinnen geven over iemand die ze leren kennen hebben.

De waarneming ZELF bestaat uit 2 delen : het waargenomene (datgene dat we waarnemen) en de waarnemer (persoon die waarneemt).

Interpersoonlijke attractie

Interpersoonlijke attractie is het aspect van cohesie dat bepaald wordt door de mate waarin groepsleden elkaar mogen. Leden van cohesieve groepen mogen elkaar en leden van groepen met weinig cohesie zien elkaar niet zo zitten. Deze interpersoonlijke attractie is dus sterk aan de groepsleden als persoon gebonden. (Remmerswaal, Begeleiden van groepen; Groepsdynamica in de praktijk, 2006, p. 116)

Interpersoonlijke attractie ( sympathie en antipathie)

- er is een wisselwerking tussen sympathie en interactie; frequentie interacties leiden vaak tot het ontstaan van wederzijdse sympathie gevoelens en deze gevoelens stimuleren weer tot meer interactie. sympathieën (zoeken naar interactie tot gevolg) en antipathieën (vermijden van interactie tot gevolg) komen vaak tot stand op grond van eerste indrukken. (Wikispaces)

Interactie

Interactie of wisselwerking is het op elkaar reageren door zaken, processen, personen of organisaties. Het betreft een zeer groot aantal en daarmee zijn er dan ook vele verschillende soorten interactie. Zo heeft sociale interactie betrekking op het handelen van personen dat elkaar beïnvloedt. (WikipediA)

Groepsgedrag wordt meestal aangeduid als interactie en deze wordt door twee factoren bepaald: enerzijds de eisen die de taak stelt en anderzijds wie de anderen zijn. (Wikispaces)

Interactie of wisselwerking is het op elkaar reageren door zaken, processen, personen of organisaties. Het betreft een zeer groot aantal en daarmee zijn er dan ook vele verschillende soorten interactie. Zo heeft sociale interactie betrekking op het handelen van personen dat elkaar beïnvloedt. Interactie is er echter ook bij natuurkundige, chemische, biologische en ecologische processen, niet alleen onderling, maar ook met elkaar.

Communicatie

Communicatie kan gedefinieerd worden als een proces, dat bestaat uit:

- Het uitzenden van informatie door een zender, die een inhoudelijke boodschap overbrengt.

- Een reactie respectievelijk antwoord van de ontvanger op de boodschap, overeenkomstig de wijze waarop hij de boodschap waargenomen heeft. (Remmerswaal, Begeleiden van groepen;

Groepsdynamica in de praktijk, 2006, pp. 123, 124)

Groepsnormen

Er werd altijd gedacht dat mensen bij groepen willen horen wanneer zo’n groep hen succes oplevert, of met behulp van de groep dingen kunnen bereiken die ze in hun eentje niet kunnen bereiken. Na onderzoek bleek dat het belangrijker was dat ze trots konden zijn op de groep maar dat trots zijn heeft niet alleen te maken met of de groep dan wel niet succesvol is. Mensen kijken eerder naar de morele waarden dus waar staat deze groep voor en wat zijn de idealen. Hoe meer men zich associeert met de groep hoe meer de groep ook iets zegt over jou en waar jij voor staat. (Noortje Bosma Wordpress)

In elke groep bestaan regels die bepalen welk gedrag goed of fout, beleefd of onbeleefd, toegestaan of verboden, gewenst of ongewenst is. Ze geven aan welk gedrag in deze groep normaal of abnormaal gevonden wordt. Deze regels heten normen. Groepsnormen zijn doorgaans onuitgesproken gedragsregels die voor elk groepslid gelden. Overtreding van de

groepsnormen wordt meestal opgemerkt en door de groep afgekeurd. dit kan ook gebeuren door het aanstootgevend gedrag te negeren. We noemen een norm een groepsnorm, wanneer het geen gedragsnorm is die in de omringende omgeving net zo bestaat. Voorbeelden zijn: we beginnen op tijd, wat besproken wordt blijft onder ons, we vermijden conflicten, besluiten moeten worden uitgevoerd. ( Remmerswaal, 2013, p 318)

Conformiteit

Hoewel cohesie over het algemeen een positief effect heeft op het functioneren van groepen met veel interpersoonlijke cohesie kan een zekere druk tot conformiteit en uniformiteit ontstaan. Als dit gebeurt, hebben groepsleden de neiging om onderlinge geschillen glad te strijken ten gunste van de lieve vrede en individuele verschillen te bagatelliseren ten dienste van eenstemmigheid. Conformiteitsdruk is de schaduwzijde van cohesie. Zo is in een groepen met veel interpersoonlijke cohesie, vooral als men zich meent bezig te houden met belangrijke aangelegenheden, weinig plaats voor mensen die een afwijkend standpunt innemen en komen vervelende verschijnselen als scapegoating en groupthink bedenkelijk vaak voor. (Remmerswaal, Begeleiden van groepen; Groepsdynamica in de praktijk, 2006, p. 121)

Conformisme slaat op het aanpassen van zichzelf aan het gedrag en de opvattingen die heersen in een bepaalde groep met als doel geaccepteerd te worden binnen deze groep. Binnen de groep heerst er conformiteitsdwang. Dit is de dwang tot aanpassing aan de opvattingen en gedragingen die binnen de groep heersen. Past iemand zich niet aan, loopt deze persoon het risico buiten de groep te worden gezet. Mensen zijn sociale wezens en willen daarom graag bij een groep horen en relaties aan gaan met andere mensen (bijvoorbeeld een vriendenkring). Daarom beschikken zij over een conformiteitsdrang: de neiging om zich aan te passen. De neiging tot conformisme kan zowel voorkomen in kleine groepen, zoals een vriendenkring, als ook in grotere gemeenschappen, zoals een maatschappij. De Amerikaanse psycholoog Solomon Asch heeft hier onderzoek naar gedaan, bekend als de overeenstemmingsexperimenten van Asch.

Groepscohesie

De mate waarin een groep aantrekkelijk is voor haar leden.

Vanuit het aan de orde stellen van de doelstelling van de groep, kunnen er vragen ontstaan over de groepscohesie. ‘Zet iedereen zich even hard in?’, ‘Zijn we wel een groep?’, ‘Ik wil ook wel eens achteruit zitten.’, ‘Het hindert mij dat jij er altijd zo verveeld bij zit’ en ‘Zouden we niet kunnen afspreken dat we de volgende keer alleemaal op tijd komen?’ Het zijn vragen naar de inzet voor het goede doel. Ze geven aan dat er een onzekerheid gaat ontstaan over de mate van participatie, involvering of betrokkenheid. (Remmerswaal, Begeleiden van groepen; Groepsdynamica in de praktijk, 2006, p. 285)

Cohesie is het krachtveld dat ervoor zorgt dat teamleden bij de groep (willen) blijven. Vanuit het aan de orde stellen van de doelstellingen van de groep,

kunnen er vragen ontstaan over groepscohesie. ’Zet iedereen zich wel even hard in?’, ‘Zijn we wel een groep?’, ‘Ik wil ook wel eens achteruit zitten’. Het zijn vragen naar de inzet van het doel. Ze geven aan dat er een onzekerheid gaat ontstaan over de mate van participatie, involvering (betrokkenheid).

Besluitvorming

- Barrières zijn: plops (natte sneeuw; voorstel verdwijnt als natte sneeuw, gebeurt niets mee) en topic jumping (van de hak op de tak) - Besluitvormingsmanieren:

• zichzelf dit recht toeschrijven

• vorming tweemansblok

• kliekvorming ( vooraf al afspreken)

• meerderheidsbesluit (stemming)

• onder druk zetten van tegenstander (does anyone disagree?

We all agree, don’t we?)

• schijnbare eenstemmigheid

• werkelijke overeenstemming (consensus) (Remmerswaal, Begeleiden van groepen; Groepsdynamica in de praktijk, 2006, p. 87)

Stappen in besluitvorming:

- Nauwkeurige probleemdefiniëring ( beeldvorming)

- Het voorstellen van oplossingen

- Het bekijken en toetsen van de voorgestelde oplossingen (oordeelsvorming)

- Kiezen van één oplossing (besluitvorming) (Wikispaces)

Besluitvorming in het groepsproces

“Zelfs een juiste beslissing is verkeerd als hij te laat wordt genomen” (Lee Lacocca, ex-topman Chrysler).

Besluitvorming is een belangrijk onderdeel in het groepsproces. Daar waar mensen samenwerken, worden gezamenlijk besluiten genomen.

Leiderschap

Elke groep functioneert tegelijkertijd op 2 niveaus:

1. Een taakniveau en een

2. Sociaal emotioneel niveau

Beide niveaus zijn tegelijkertijd aanwezig als keerzijden van één en dezelfde munt.

In de taakstelling vervult de groep haar formele functies en op sociaal emotioneel niveau haar psychologische functies, zoals het tegemoetkomen aan de emotionele behoeften van de hele groep en van de afzonderlijke groepsleden. Als deze tweedeling in taakgerichtheid en sociaalemotionele gerichtheid zo belangrijk is in het functioneren van groepen,

heeft dit ook consequenties voor het leiderschap. Dit klopt: effectieve leiders blijken zowel aan de belangen van de groep als aan de behoeften van de groepsleden aandacht te besteden. (Remmerswaal, Begeleiden van groepen; Groepsdynamica in de praktijk, 2006, p. 269)

Groepsontwikkeling

Er is niet alleen overeenstemming over het feit dat groepen in hun ontwikkeling door bepaalde fasen gaan, maar ook over welke fasen dat in grote lijnen zijn. Tuckman (1965, 1977) kwam op basis van een uitgebreide literatuurstudie tot het inmiddels klassiek geworden rijtje: forming, storming, norming, performing en adjourning. (Remmerswaal, Begeleiden van groepen; Groepsdynamica in de praktijk, 2006, pp. 197, 198)

1. Oriëntatiefase (forming)

De groepsleden kennen elkaar nog maar net, gaan voorzichtig met elkaar om en proberen aanvaringen en sociale gêne te voorkomen.

2. Conflictfase (storming) Als men elkaar beter leert kennen, ebben de onzekerheid en het ongemak van het begin weg en gaat men zich meer bemoeien met de gang van zaken in de groep.

3. Structuurfase (norming)

Na verloop van tijd krijgen de leden van een groep in de gaten dat zij, als ze iets met elkaar willen bereiken, hun onderlinge strubbelingen beter op zij kunnen zetten en zich richten op wat ze aan elkaar kunnen hebben en met elkaar kunnen bereiken.

4. Werkfase (performing)

De ontwikkelingen die ingezet worden tijdens de structuurfase zetten zich voort tijdens de werkfase. Men hoeft steeds minder tijd en aandacht aan relationele spanningen te schenken en er komt dus meer tijd en energie vrij voor de activiteiten waarvoor de groep gevormd is.

5. Eindfase (adjourning)

Er bestaat een groot verschil tussen de eindfase van taakgroepen en therapiegroepen. In taakgroepen wordt het einde min of meer als een moment beleefd: een groep is klaar met haar taak of men houdt het voor gezien. In therapiegroepen gaat het veel meer om een proces van beëindiging dat in ieder geval voor sommige groepsleden nog in het

hart va het therapeutisch gebeuren ligt.

Feedback

Naarmate het bestaansniveau in de groep meer centraal komt te staan, en dat is vooral in de derde fase van groepsontwikkeling, gaat feedback steeds belangrijker worden. Feedback betekent dat ik mijn beleving in mijn relatie met de ander kenbaar maak. Het vragen om feedback is vergelijkbaar met het checken hoe een bepaalde opmerking bij de ander overkomt of het toetsen van de gevoelens die door mijn gedrag bij de ander worden opgeroepen.

Het verschil hierin is dat het hierbij niet gaat om eens/ oneens, of ervaren van steun/ afwijzing, maar om een geraakt worden met betrekking tot de eigen waarden, hetzij positief, hetzij negatief. (Remmerswaal, Begeleiden van groepen; Groepsdynamica in de praktijk, 2006, p. 163)

Feedback heeft hier een bredere betekenis. Zo zijn bijvoorbeeld groepsnormen en pressie tot conformiteit te typeren als feedbackmechanismen. (Wikispaces)

Feed-back of terugkoppelingsmechanisme is een mechanisme waarbij de gevolgen van een proces een invloed (versterkend of remmend) hebben op de oorzaak van het proces. (WikipediA)

De psychoanalytisch e benadering

Hoewel de psychoanalyse in strikte zin zich vooral bezighoudt met motivatieprocessen en afweermechanismen binnen het individu, is haar begrippenkader bijzonder bruikbaar gebleken voor het verkrijgen van dieper inzicht in groepsprocessen.

Een van de eerste toepassingen van de psychoanalyse op groepen is het werk van Aichhorn rond 1925 in een psychoanalytische groepsbenadering bij jeugdige delinquenten in een door hem geleid ‘tehuis voor heropvoeding’. (Remmerswaal, Begeleiden van groepen; Groepsdynamica in de praktijk, 2006, p. 178)

Methode om iemand met geestelijke problemen te genezen door hem of haar de eigen manier van denken en voelen te leren doorgronden.



2.De plaats van de groepsdynamica in de wetenschap

Er bestaan enkele weerstanden tegen groepsdynamisch denken als aparte tak van wetenschap.

Groepsdynamica bestudeert het gedrag van mensen in kleine groepen. Door haar brugfunctie tussen psychologie en sociologie neemt de groepsdynamica een unieke plaats in binnen de sociale wetenschappen.

Enkele weerstanden tegen groepsdynamisch denken

Vaak denken mensen dat wat in groepen gebeurt vooral door individuen bepaald wordt, in het bijzonder door hun goede of slechte eigenschappen. Die mensen hebben er moeite mee zichzelf als groepslid te zien of de specifieke groepsverschijnselen te zien.

In de jaren 20 was er de discussie over de echtheid van groepen. Allport (1924)verdedigde het standpunt dat alleen individuen echt en reëel zijn en dat groepen niet meer zijn dan reeksen van waarden, ideeën, gedachten , gewoonten etc. die gelijktijdig bestaan in de gedachten van de individuen in collectiviteiten. Kortom dat groepen een soort hersenschimmen zijn en alleen in de gedachten van mensen bestaan.

Anderen zeiden dat groepsverschijnselen niet in psychologische termen verklaard kunnen worden en dat er dus een valide theorie van

groepsprocessen moet liggen op het niveau van de groep. (Remmerswaal, 2013, p 19,)

3. Definitie van de groep en soorten groepen

Primaire en secundaire groepen

Primaire groepen (volgens Cooley, 1902): vooral gekenmerkt door

persoonlijke en intieme relaties in directe contactsituaties. Dit zijn groepen die vooral aan onze sociaal-emotionele behoeften tegemoetkomen (gezin, vriendengroepen).

Secundaire groepen (volgens Cooley): vooral gekenmerkt door koele, onpersoonlijke, rationele en formele relaties. Dit zijn groepen die vooral aan onze belangen en onze rationele behoeften tegemoetkomen (taakgroepen, werkgroepen, groepen in arbeidssituatie).

Groep, primaire (Cooley)

In strikte zin: de eerste levensgroepen waarmee een persoon in aanraking komt; algemener: kleine groep waarin de leden elkaar goed kennen, vaak met elkaar in contact komen en gevoelsmatige relaties onderhouden. Het is erg onwaarschijnlijk dat een persoonlijkheidsontwikkeling mogelijk is zonder primaire groepen.

De primaire groep is in zekere zin de bemiddelaar tussen de cultuur of maatschappij enerzijds en het individu anderzijds. De eigen manier van denken, waarnemen, voelen en reageren alsook de eigen waarde opvattingen

en normen zijn niet zo individueel en uniek als men denkt. De sociale invloeden op elk individu zijn sterk meebepaald door maatschappelijk omstandigheden (maatschappij groep individu).Ieder individu wordt niet alleen beïnvloedt door zijn sociale omgeving, maar beïnvloedt ook de sociale

omgeving; de stap van individu naar maatschappij ligt verder; individuen kunnen invloed uitoefenen op maatschappelijke omstandigheden via de groepen waartoe ze behoren (individu groep maatschappij).

Individu groep maatschappij hebben een wederzijdse invloed.

Sociogroepen

Bij sociometrie: het geheel van relaties binnen een kleine groep, dat gebaseerd is op oordelen over en waardering voor elkaars capaciteiten als bijdrage tot een bepaald doel.

Je bent alleen in naam (nominaal) lid. In een sociogroep overheersen de zakelijke en maatschappelijke relaties. Je zou kunnen zeggen: daar overheerst het rationele element. (Remmerswaal, 2013, p 64)

Psychogroepen

Bij sociometrie: het geheel van affectieve relaties binnen een kleine groep.

Er is psychologische participatie. In een psychogroep overheersen de affectieve verbindingen, vaak van persoonlijke aard. (Remmerswaal, 2013, p

64)

Formele en informele groepen

We spreken van een formele groep als deze een plek heeft binnen de structuur van de organisatie. Deze formele groep kan een permanent of een tijdelijk karakter hebben. Een voorbeeld hiervan is een management team. Het doel en de bevoegdheden van zo'n team zijn vooraf vastgelegd, meestal in de vorm van geschreven documenten.

Groepen die door de organisatie zijn samengesteld om aan projecten te werken of bepaalde taken uit te voeren. Het gedrag wordt vastgesteld door de organisatie, en afgestemd op de doelstellingen van die organisatie.

Naast formele groepen zijn er ook informele groepen in de organisatie aanwezig. Dit zijn groepen buiten de structuur van de organisatie om. Medewerkers kiezen er zelf voor een groep te vormen. Deze groepen zijn vaak gebaseerd op vriendschap en/ of gemeenschappelijke interesses. (Google Sites)

Informele groep

Een informele werkgroep is een groep die uit zichzelf ontstaat wanneer mensen denken dat deelname aan de groep hen zal helpen doelen te bereiken die ze willen.

• Vriendschap groep: bestaande uit personen die elkaars gezelschap waarderen en sociaal contact hebben in en buiten het werk.

• Interest groep: groep mensen die samenkomt omdat ze een gezamenlijk doel hebben gerelateerd aan hun organisatorische deelname.

Als doel, rollen en normen vaag en impliciet blijven spreken we van een informele groep (vriendengroepen) Ze worden in stand gehouden door interpersoonlijke attractie.

Informele groepen zijn autonoom, dat wil zeggen dat ze hun eigen activiteiten kunnen bepalen en vrij zijn van organisatorische beperkingen. (Remmerswaal, 2013, p 64)

Referentiegroepen

Groep(ering) waaraan een persoon zich in gedrag en houding oriënteert, waaraan hij zijn referentiekader ontleent; dit hoeft niet perse dezelfde groep(ering) te zijn als die waarvan iemand lid is.

Groepen mensen die een grote invloed hebben op de houdingen en

(aankoop) gedragingen van een bepaald persoon, omdat deze zich met die groep vergelijkt of erbij wil horen. (WikipediA)

Het individu participeert echt als persoon zoals blijkt uit zijn betrokkenheid bij het groepsdoel, het innemen van een bepaalde plaats binnen de groepsstructuur en het naleven van de groepsnormen (Remmerswaal, 2013 p

65).

Ingroups en outgroups

Zodra we nieuwe mensen ontmoeten maken we bijna altijd in de eerste plaats een indeling. Lijkt deze persoon op mij of zou deze persoon wel eens heel anders kunnen zijn dan ik. Als gevolg van die tweedeling plaats je een persoon in je ingroup (mensen zoals jij) en een outgroup (mensen die anders zijn dan jij). Op grond van deze indeling hebben we vaak ook bepaalde verwachtingen van mensen. In mensen die bij de ingroup horen hebben we vaak meer vertrouwen dan in mensen die bij onze outgroup horen. (Noortje Bosma Wordpress)

De ingroup is de wij-groep en de outgroup is de zij-groep. De ingroup omvat onszelf en iedereen die we verder met wij willen aanduiden. De outgroup bestaat uit alle anderen, dat wil zeggen uit iedereen die we van dit wij willen uitsluiten. (Remmerswaal, 2013, P67)

In-group (Sumner)

De eigen groep of samenleving die men gewoonlijk per definitie beter acht dan alle andere groepen of samenlevingen (zie ook etno- en sociocentrisme).

Out-group (Sumner)

Groep of samenleving waartoe men niet behoort en die gewoonlijk als minderwaardig wordt beschouwd (zie ook etno- en sociocentrisme).

4. Niveaus en interventies in groepen

5.

Ontwikkeling van niveaus in groepen

Iedere groep functioneert op 2 niveaus: een sociale-emotioneel niveau en een taakniveau. Beide niveaus zijn altijd tegelijk aanwezig.Het taakniveau gaat over de inhoud van de groepsactiviteit en het sociaal-emotioneel niveau verwijst naar de manier waarop een groep zich organiseert voor een bepaalde taak. ( omgang met elkaar)

Daarnaast is er een onderscheid te maken tussen taakaspecten en procesaspecten. Het taakniveau kan verder nog onderverdeeld worden in het procedureniveau en het inhoudsniveau. Het procesniveau kan worden onderverdeeld in het bestaansniveau en het interactieniveau.

Interventies in groepen

(interventies op

inhoudsniveau

etc.)

Je hebt verschillende interventies:

• Inhoudsniveau: het werk aan de doelstelling en taak

• Procedureniveau: de werkwijze ter concretisering van de doelstelling

• Interactieniveau: groepsproces en de onderlinge betrekkingen

• Bestaansniveau: het individuele proces van elk groepslid

• Contextniveau: invloeden die in de groep doorklinken vanuit de context, bijv. maatschappelijke invloeden.

(Remmerswaal, 2006, pp. 38, 39, 40, 41, 42, 43, 44, 45)

Het ontstaan van groepen

Nieuwe groepen komen soms voort uit onvrede met bestaande situaties.

Tekorten en blinde vlekken in een organisatie stimuleren tot groepsvorming.

(Remmerswaal, 2013, p 127)

De fasen van groepsontwikkeling

We gaan uit van een model met vier fasen:

1. Een begin fase

2. Een middenfase

3. Een fase van autonome groep

4. En een afsluitingsfase

Maar dit is niet het hele verhaal. Elke groep is namelijk al eerder ontstaan.

Vóór de eerste groepsbijeenkomst heeft zich meestal al heel wat afgespeeld.

We voegen daarom de voorfase toe aan het model.

1. Voorfase

Nog voordat een groep ooit bijeen is geweest, heeft er zich al een hele geschiedenis afgespeeld. In het voorstadium voltrekt zich een groepsvorming in ontwerp. In gedachte of op papier worden de eerste lijnen uitgezet. In een

sociaal systeem wordt een opening gemaakt en worden de grenzen aangegeven waarbinnen straks een groep haar bestaan zal beginnen.

2. Beginfase

Vanaf het moment dat de groepsleden in levende lijve bijeen zijn, kunnen we spreken van een beginnende groep. Het gaat echter niet alleen om de periodes: een groep kan gedurende vele jaren een beginnende groep blijven. Het gaat veel meer om het aanduiden van een karakteristiek. Die karakteristiek toont overeenkomst bij verschillende groepen, omdat elke groep voor hetzelfde probleem staat in het begin van haar bestaan. De grenzen van de groep met haar omgeving moeten worden vastgesteld.

3. Middenfase

Wanneer na de eerste periode van groepsontwikkeling de mist is opgetrokken, er een taakstructuur is gevonden en de relatie met de omgeving tot klaarheid is gebracht, doemen er weer nieuwe vragen op. Het met elkaar werken vraagt om een overeenstemming over de mate van emotionele investering in het gezamenlijke functioneren.

4. Fase van autonome groep

De middenfase van groepsontwikkeling kan resulteren in een vertrouwdheid met elkaar waarbij de deelnemers de ervaring kunnen delen van solidariteit en sociale geborgenheid. Hierdoor ontstaan er ruimte voor het inbrengen van meer persoonlijke ervaringen. Het betekent ook een meer kwetsbare opstelling van de deelnemers die hiermee als persoon in het geding zijn. De groepsleden krijgen meer oog voor individuele varianten en de typische eigenaardigheden van de verschillende personen in de groep. De groep staat in deze fase voor een nieuw dilemma: kan je in deze groep wel helemaal jezelf zijn?

5. Afsluitingsfase

De fase komt in zicht wanneer de groep gaat eindigen. De bindingen tussen groepsleden worden losser en men blikt terug op bereikte resultaten. Het klimaat van de groep kenmerkt zich door ambivalente gevoelens: enerzijds is men blij dat men de groep kan loslaten, maar anderzijds kan men tegen het eind opzien omdat een stuk vertrouwdheid weg gaat vallen. Ook betekent deze fase voor de deelnemers een voorbereiding op de terugkeer naar de eigen context. De thematiek van deze fase kunnen we samenvatten in 3 woorden: afscheid, evaluatie en afsluiting. (Remmerswaal, 2006, pp. 26, 27, 28, 29)

Leiderschapsstructuur

Wanneer de groep haar eigen taakstructuur eenmaal gevonden heeft

(invloedsfase), neemt de aandacht voor het interne groepsfunctioneren toe. De onderlinge betrekkingen kunnen 2 vormen aannemen: er worden kritische vragen gesteld t.a.v. het leiderschap in de groep t.a.v de onderlinge relaties en omgangsvormen. Positiever gezegd: de groep vervangt de opgelegde leiderschapstructuur door een passende eigen invloedsverdeling. De groep regelt haar eigen antwoorden op vragen rondom macht en invloed. We spreken dan van een machtsfase. (Remmerswaal, 2013, p 146)

Invloedsverdeling

In ruimtelijke termen uitgedrukt gaat het nu om thema’s van boven of onder Wie heeft het hier voor het zeggen en hoe is de invloed verdeeld. Vragen zijn:

- Hoeveel macht en invloed heb ik?

- Wie heeft er macht en invloed op mij?

- Waar ligt de controle of sturing van wat we doen?

- Door wie zal ik me laten beïnvloeden en hoe?

Deze middenfase speelt een kritieke rol en is een keerpunt in de groepsontwikkeling. ( Remmerswaal, 2013, p 146)

5. Groepsvorming en groepsontwikkeling

Groepsvorming

Mensen worden lid van een groep om taakgerichte redenen of sociaalemotionele redenen.

Afweer in groepen

Als kernbegrippen voor een veilige en vertrouwde groep noemt Gibb: acceptatie, spontaniteit, integratie en interdependentie (betrokkenheid op elkaar). Zo’n groep is ook productiever.

Gibb vat zijn opvattingen samen in enkele stellingen, eruit gepikt:

afweermechanismen.

- Angstige mensen hebben de neiging defensief te worden en zich te beschermen achter afweermechanismen, zoals façadegedrag, dubbele agenda’s, druk uitoefenen op anderen, de eigen mening aan anderen opleggen, manipulatie, controle en beheersing. (Remmerswaal, 2006, p. 400)

Met betrekking tot de tussenmenselijke relaties kunnen we tot het volgende (onvolledige) overzicht van afweermechanismen komen:

- Verdringing

- Rationalisering (intellectualisering)

- Regressie

- Terugtrekken (vlucht)

- Reactie-formatie (omkering in het tegendeel)

- Projectie

- Identificatie (Remmerswaal, 2006, pp. 430, 431, 432)

Groepsontwikkeling

Er is niet alleen overeenstemming over het feit dat groepen in hun ontwikkeling door bepaalde fasen gaan, maar ook over welke fasen dat in grote lijnen zijn. Tuckman (1965, 1977) kwam op basis van een uitgebreide literatuurstudie tot het inmiddels klassiek geworden rijtje: forming, storming,

norming, performing en adjourning. (Remmerswaal, Begeleiden van groepen; Groepsdynamica in de praktijk, 2006, pp. 197, 198)

1. Oriëntatiefase (forming) De groepsleden kennen elkaar nog maar net, gaan voorzichtig met elkaar om en proberen aanvaringen en sociale gêne te voorkomen.

2. Conflictfase (storming) Als men elkaar beter leert kennen, ebben de onzekerheid en het ongemak van het begin weg en gaat men zich meer bemoeien met de gang van zaken in de groep.

3. Structuurfase (norming)

Na verloop van tijd krijgen de leden van een groep in de gaten dat zij, als ze iets met elkaar willen bereiken, hun onderlinge strubbelingen beter op zij kunnen zetten en zich richten op wat ze aan elkaar kunnen hebben en met elkaar kunnen bereiken.

4. Werkfase (performing)

De ontwikkelingen die ingezet worden tijdens de structuurfase zetten zich voort tijdens de werkfase. Men hoeft steeds minder tijd en aandacht aan relationele spanningen te schenken en er komt dus meer tijd en energie vrij voor de activiteiten waarvoor de groep gevormd is.

5. Eindfase (adjourning)

Er bestaat een groot verschil tussen de eindfase van taakgroepen en therapiegroepen. In taakgroepen wordt het einde min of meer als een moment beleefd: een groep is klaar met haar taak of men houdt het voor gezien. In therapiegroepen gaat het veel meer om een proces van beëindiging dat in ieder geval voor sommige groepsleden nog in het hart va het therapeutisch gebeuren ligt. (Remmerswaal, Begeleiden van groepen; Groepsdynamica in de praktijk, 2006, pp. 197, 198)

Groepsmodellen

Er zijn 3 modellen van groepsontwikkeling:

1. Lineaire model

2. Spiraalmodel

3. Polariteitenmodel

(Remmerswaal, 2013, p125)

Groepen ontstaan vanuit de collectiviteit

(Sartre) of als subgroepen van een groter geheel (Pagès).

Over hoe groepen zich ontwikkelen van een beginfase via een middenfase naar een eindfase bestaat dus een groot aantal theorieën. Maar over hoe groepen ontstaan, wordt in de groepsdynamische literatuur vrij weinig geschreven. Stemerding beschrijft het ontstaan van een groep als het resultaat van vooroverleg en planning in de directe sociale omgeving van de nieuwe groep. Hij wijst daarbij op de rol van behoeften en belangen die in het grotere sociale verband onvoldoende onderkend en erkend zijn. Zo gezien komen nieuwe groepen voort uit onvrede met het bestaande systeem: tekorten en blinde vlekken in de maatschappij, of in een onderdeel daarvan, stimuleren tot groepsvorming. Terwijl Stemerding groepsvorming vooral plaatst binnen overlegsituaties met of binnen organisaties en instellingen, spreken Sartre en

Pagès over meer “spontane” groepsvorming zonder zulk vooroverleg.

Groepen ontstaan vanuit de collectiviteit (Sartre) of als subgroepen van een groter geheel (Pagès).Over hoe groepen zich ontwikkelen van een beginfase via een middenfase naar een eindfase bestaat dus een groot aantal theorieën. Maar over hoe groepen ontstaan, wordt in de groepsdynamische literatuur vrij weinig geschreven.

Stemerding beschrijft het ontstaan van een groep als het resultaat van vooroverleg en planning in de directe sociale omgeving van de nieuwe groep. Hij wijst daarbij op de rol van behoeften en belangen die in het grotere sociale verband onvoldoende onderkend en erkend zijn. Zo gezien komen nieuwe groepen voort uit onvrede met het bestaande systeem: tekorten en blinde vlekken in de maatschappij, of in een onderdeel daarvan, stimuleren tot groepsvorming. Terwijl Stemerding groepsvorming vooral plaatst binnen overlegsituaties met of binnen organisaties en instellingen, spreken Sartre en Pagès over meer “spontane” groepsvorming zonder zulk vooroverleg.

Fasen van groepsontwikkeling

Groepen ontwikkelen zich van de ene fase naar de andere. Dit zegt echter nog weinig over de wijze waarop fasen elkaar afwisselen. Volgens sommige modellen ontwikkelen groepen zich op een progressieve lineaire manier van fase tot fase. Dat wil zeggen dat iedere fase een hogere en meer complexe wijze van functioneren vertegenwoordigt dan de voorgaande. Als een groep alle fasen doorlopen heeft, bereikt ze het niveau van de rijpe of gevorderde groep, waarin het eigenlijke therapeutische werk kan plaatsvinden.

Aspecten van groepsvorming en ontwikkeling

Iedere groep functioneert op 2 niveaus: een sociale-emotioneel niveau en een taakniveau. Beide niveaus zijn altijd tegelijk aanwezig. Het taakniveau gaat over de inhoud van de groepsactiviteit en het sociaal-emotioneel niveau verwijst naar de manier waarop een groep zich organiseert voor een bepaalde taak. ( omgang met elkaar)

Daarnaast is er een onderscheid te maken tussen taakaspecten en procesaspecten. Het taakniveau kan verder nog onderverdeeld worden in het procedureniveau en het inhoudsniveau. Het procesniveau kan worden onderverdeeld in het bestaansniveau en het interactieniveau.

Sociale cohesie

De aantrekkingskracht van de groep op het sociaal-emotionele niveau. Wanneer je bijv. de groepsleden sympathiek vindt en daarom extra gemotiveerd bent om lid te blijven.

Het lineaire model

Lineaire model. Theorieën met een focus op de verhouding tussen

taakaspecten en sociaal-emotionele aspecten. De bijbehorende theorieën zijn bijna alle van Amerikaanse oorsprong en sluiten meestal aan op de veldbenadering van Lewin.

Het spiraalmodel

Theorieën met een focus op de groepsprocessen en de samenhang met de individuele dynamiek binnen groepsleden. De theorieën zijn sterk geïnspireerd door de psychoanalyse.

Het

polariteitenmodel

Theorieën met een focus voor ontwikkelingen in de spanningen tussen zich steeds wisselende polariteiten. Bekende auteurs zijn Pagès, Cohn en enkele schrijvers binnen de Gestalt-benadering.

6. Groepsprocessen en groepsfenomenen

Rollen in groepen

Gedrag in de groep kan bekeken worden vanuit de functie die het heeft. er zij 3 rollen mogelijk:

1. Taakrollen: bijv. initiatieven nemen, informatie zoeken, mening geven

2. Procesrollen: bijv. aanmoedigen, volgen, groepsgevoel benoemen

3. Zelfgericht gedrag (negatieve rollen): bijv. agressief gedrag, stokpaardjes, clownesk gedrag

(Remmerswaal, 2013, p 312)

In elke groep ontwikkelen zich bepaalde rollen die groepsdoelen dienen, zodat de groep haar werk kan voortzetten. In dit groepsgerichte gedrag kan een reeks rollen uitkristalliseren, die elk bestaan uit pogingen van het individuele groepslid om het op gang komende sociale systeem van de groep verder te ontwikkelen. Deze rollen zijn onder te verdelen naar:

- Taakrollen: van belang voor het uitvoeren van de groepstaak

- Groepshandhavings- en groepsvormingsrollen: vooral gericht op het verbeteren van het sociaalemotionele klimaat in de groep, namelijk voor het versterken en in stand houden van het groepsgebeuren; deze groep rollen zullen we aanduiden als procesrollen.

Daarnaast is er nog een groep gedragsvormen te noemen die juist niet functioneel zijn:

- Disfunctionele rollen (negatieve rollen), die vooral bestaan uit zelfgericht gedrag, dat ingaat tegen constructieve participatie aan de groep. (Remmerswaal, 2006, p. 174)

Gedragsvormen

Er zijn in groepen krachten werkzaam die het werk verstoren en die een soort emotionele onderstroom vormen in het groepsgebeuren. Deze onderliggende

emotionele basispunten veroorzaken allerlei emotionele gedragsvormen die een effectief groepsfunctioneren in de weg kunnen staan. Deze gedragsvormen moeten herkend en erkend worden, in samenhang met de oorzaken. (Remmerswaal, 2006, pp. 174, 175, 176)

Groepsnormen

Groepsnormen zijn doorgaans onuitgesproken gedragsregels, die voor ieder in de groep gelden. (Remmerswaal, Begeleiden van groepen; Groepsdynamica in de praktijk, 2006, p. 189)

Conformiteit aan groepsnormen

Conformiteit = overeenstemming met iets anders of gelijkvormigheid.

Er zijn 2 belangrijke vormen van sociale invloed te onderscheiden: informationele sociale invloed en normatieve sociale invloed. (Remmerswaal, Begeleiden van groepen; Groepsdynamica in de praktijk, 2006, p. 194)

Informationele sociale invloed:

In situaties waarin niet meteen duidelijk is wat een correcte of gepaste reactie is en we ons afvragen wat er gaande is en wat we moeten doen, richten we ons op anderen. De anderen zijn dan een bron van informatie over hoe wijde situatie dienen te gedragen. We conformeren ons daaraan omdat we geloven dat de interpretatie van de onduidelijke situatie door anderen correcter is dan onze eigen interpretatie. Dit heet ‘informationele sociale invloed’.

Normatieve sociale invloed:

Zeer veel mensen gaan mee met het oordeel van een meerderheid, ook al weten ze dat die meerderheid het bij het onjuiste eind heeft. Ook wanneer een

situatie helder is en er duidelijke criteria bestaan voor ‘goede’ en ‘foute’ reacties, hebben veel mensen blijkbaar andere redenen om zich aan het oordeel en gedrag van anderen aan te passen. Deze andere redenen kunnen samengevat worden met de term ‘normatieve sociale invloed’.

Besluitvorming

Een groep die haar doel wil bereiken, is voortdurend bezig met het voorbereiden en nemen van besluiten: belangrijke en minder belangrijke, eenvoudige en moeilijke, juiste en foutieve besluiten, maar steeds besluiten. (Remmerswaal, Begeleiden van groepen; Groepsdynamica in de praktijk, 2006, p. 87)

Er zijn verschillende manieren om een besluit te nemen. De keuze voor een bepaalde manier is afhankelijk van de context waarin men zich bevindt. Antons (1978) maakt een onderscheid tussen: - Zichzelf het recht toeschrijven

- Vorming van een tweemansblok

- Kliekvorming

- Meerderheidsbesluit

- Het onder druk zetten van de tegenstanders

- Schijnbare eenstemmigheid

- Werkelijke overeenstemming (Remmerswaal, Begeleiden van groepen;

Groepsdynamica in de praktijk, 2006, p. 302)

Conflictstijlen

Bij pogingen om conflicten weg te werken dan wel tot een oplossing te brengen, zijn verschillende benaderingen mogelijk. We spreken van verschillende stijlen. De belangrijkste stijlen:

1. Vermijden

2. Forceren

3. Toegeven

4. Compromis zoeken

5. Samenwerken

Er is ook nog een 6e stijl: polariseren. Deze stijl is niet opgenomen in de lijst. Polariseren kan als het tegendeel van samenwerken worden gedefinieerd. (Remmerswaal, Begeleiden van groepen; Groepsdynamica in de praktijk, 2006, p. 144)

Afweer in groepen

Als kernbegrippen voor een veilige en vertrouwde groep noemt Gibb: acceptatie, spontaniteit, integratie en interdependentie (betrokkenheid op elkaar). Zo’n groep is ook productiever. Gibb vat zijn opvattingen samen in enkele stellingen, eruit gepikt: afweermechanismen.

- Angstige mensen hebben de neiging defensief te worden en zich te beschermen achter afweermechanismen, zoals façadegedrag, dubbele agenda’s, druk uitoefenen op anderen, de eigen mening aan anderen opleggen, manipulatie, controle en beheersing. (Remmerswaal, Begeleiden van groepen; Groepsdynamica in de praktijk, 2006, p. 400)

Met betrekking tot de tussenmenselijke relaties kunnen we tot het volgende (onvolledige) overzicht van afweermechanismen komen:

- Verdringing

- Rationalisering (intellectualisering)

- Regressie

- Terugtrekken (vlucht)

- Reactie-formatie (omkering in het tegendeel)

- Projectie

- Identificatie (Remmerswaal, Begeleiden van groepen; Groepsdynamica in de praktijk, 2006, pp. 430, 431, 432)

Groepsidentiteit

De sociale identiteitstheorie stelt dat hoe meer we ons identificeren met een groep hoe meer we een verband leggen tussen ons als individu en als groep. Als gevolg hiervan worden groepskenmerken eigen kenmerken en voelt het falen van een groep als eigen falen. Wanneer het Nederlands elftal speelt voelt een verlies als ons eigen verlies en een overwinning als onze eigen overwinning. (Noortje Bosma Wordpress)

Verborgen agenda’s

Bij een dubbele agenda kan de onuitgesproken bedoeling aan alle overlegpartijen duidelijk zijn. In sommige gevallen delen die partijen zelfs de dubbele agenda. Dit gebeurt met name bij onderhandelingen waarvan geen groot resultaat valt te verwachten. Het kan tot voordeel hebben dat men

overeenstemming bereikt over een punt dat van ondergeschikt belang is; dat punt staat echter op de agenda en door de overeenstemming kunnen beide partijen hun achterban een succes melden. Het werkelijke, veel lastiger geschilpunt wordt dan gemeden; de dubbele agenda bestaat hierin dat men als hoofddoel heeft: het vermijden van een mislukking. Ook aan de achterban kan die dubbele agenda bekend zijn, maar zolang er niet hardop over wordt gesproken, is dat vaak geen probleem: de schijn wordt opgehouden. (WikipediA)

Communicatie

Communicatie kan gedefinieerd worden als een proces, dat bestaat uit:

- Het uitzenden van informatie door een zender, die een inhoudelijke boodschap overbrengt

- Een reactie respectievelijk antwoord van de ontvanger op de boodschap, overeenkomstig de wijze waarop hij de boodschap waargenomen heeft. (Remmerswaal, Begeleiden van groepen;

Groepsdynamica in de praktijk, 2006, pp. 123, 124)

Feedback in groepen

Feedback in groepen begint met:

- Het formuleren van groepsdoelen en groepsnormen.

- Observatie van de feitelijke toestand m.b.t. groepsdoelen, groepsnormen, en interactie: stand van zaken m.b.t. taak en proces.

- Evaluatie van deze feitelijke toestand, refererend aan de groepsdoelen en groepsnormen.

- Besluit tot al dan niet bijsturen van activiteiten: negatieve feedback van doelen of normen: positieve feedback

( Remmerswaal, 2013, p 300)

Leiderschap

Het uitvoeren van alle gedragsvormen die een concrete groep of organisatie helpen in het bereiken van de gewenste resultaten en die bijdragen aan de levensvatbaarheid van de groep of organisatie, waaronder we ook bevredigde interpersoonlijke relaties rekenen.

Gedragsvormen die nodig zijn :

- Groepstaak: het bereiken van een speciaal groepsdoel (bijv. initiatief nemen, evalueren, verhelderen).

- Het in stand houden van de groep als groep. (bijv. bemiddelen, bemoedigen).

( remmerswaal, 2013, p (Remmerswaal, Handboek groepsdynamica, een inleiding op theorie en praktijk, 2013)270)

Situationele leiderschap (Remmerswaal, 2006, p. 48)

Het model van situationele leiderschap onderscheidt vier verschillende leiderschapsstijlen. Elke stijl is een heel bepaalde combinatie van taakgerichtheid en relatiegerichtheid.

- De directieve stijl kenmerkt zich door een hoge taakgerichtheid en een lage relatiegerichtheid.

- De overtuigende stijl gaat uit van een hoge taakgerichtheid en een

hoge relatiegerichtheid.

- De participerende stijl stelt de menselijke relaties en omgang centraal.

- De delegerende stijl begeleidt ‘op afstand’ met behulp van aanwijzingen, procedures en omschrijvingen van werkwijzen.

In de besluitvorming zijn over het algemeen vijf stappen te onderscheiden: (Remmerswaal 2013, p152)

1. Probleem-

definitie

De groep moet een duidelijke kijk krijgen, inzien wat precies de consequenties zijn en zich zo uitgebreid mogelijk oriënteren.

Kringloop in het besluitvormingsproces (Remmerswaal, 2006, p. 93)

1. Probleemanalyse

Beschrijving en analyse van het probleem; definitie van het te bereiken doel.

Als eerste stap moet de groep duidelijk krijgen welk probleem er precies door het genomen besluit moet worden opgelost. Het probleem moet dus duidelijk worden gedefinieerd worden: de groep moet een duidelijke kijk krijgen, inzien wat precies de consequenties zijn en zich zo uitgebreid mogelijk oriënteren.

- Vermijden: dit altijd door dezelfde personen te laten doen, bijv: wanneer de groep deze taak aan de zelfde commissie overlaat, die automatisch herkozen wordt en nooit rekenschap aflegt van haar doelstellingen.

- Valkuilen: te snel aannemen dat de probleemstelling reeds duidelijk is: abstracte behandeling van het probleem zonder het te betrekken op concrete situaties: aannemen dat het behandelde probleem voor de groep belangrijk is , zonder dit na te gaan.

- Hulpmiddelen: probeer alle met het hoofdprobleem samenhangende deelproblemen door vragen goed in het oog te krijgen: subgroepen: gezamenlijke discussie. In het algemeen hebben groepen de neiging om te snel over deze eerste heen te stappen. (Remmerswaal, 2006, p. 90)

2. Het voorstellen van verschillende oplossingen

Bijvoorbeeld door brainstormen zoveel mogelijk verschillende voorstellen voor oplossingen verkregen van alle groepsleden.

Kringloop in het besluitvormingsproces (Remmerswaal, 2006, p. 93)

2. Motivering

Motivering van de betrokkenen.

In de fase worden (bijv. door brainstormen) zo veel mogelijk verschillende voorstellen voor oplossingen verkregen van alle groepsleden.

- Vermijden: dat de voorzitter de groep vastlegt op het uitwerken van de aspecten van slechts één mogelijke oplossing, waarvoor hij vooraf reeds heeft gekozen of waarvoor een zekere (soms onbewuste) voorkeur heeft.

- Valkuilen: onvoldoende informatie, gebrek aan ervaring, ongunstige groepsgrootte, formalisme, onvoldoende aandacht voor het sociaalemotionele klimaat in de groep, de neiging zich te beperken tot twee gepolariseerde voortellen

- Hulpmiddelen: schriftelijk vast leggen van alle opkomende ideeën (brainstormen), extra informatie, subgroepen, klimaat van vrije meningsuiting (“niets-is-gek-alles-kan-klimaat”), ingelaste stiltes voor individueel nadenken.

3. Het bekijken van de voorgestelde oplossingen

Nagaan welke van de voorgestelde oplossingen het probleem inderdaad oplossen: het toetsen van oplossingen op grond van alle beschikbare informatie en feiten, maar ook op grond van vroegere ervaringen, mogelijke consequenties, uitvoerbaarheid, de belangrijkheid van het probleem en de houdingen van de groepsleden.

Kringloop in het besluitvormingsproces (Remmerswaal, 2006, p. 93)

3. Oplossingsmogelijkheden

Opstellen van alternatieve oplossingsmogelijkheden.

In deze fase wordt nagegaan welke van de voorgestelde oplossingen het probleem inderdaad oplossen: het toetsen van de oplossingen op grond van alle beschikbare informatie en feiten, maar ook op grond van mogelijke consequenties vroegere ervaringen, uitvoerbaarheid, de belangrijkheid van de groepsleden.

- Vermijden: dat de invloed van de voorzitter of een ander groepslid zo groot wordt dat het verhinderd dat een voorstel van hen werkelijk ernstig getoetst wordt: dat door tijdsdruk of slecht leiderschap of door machtsverschillen in de groep niet kritisch getoetst worden.

- Valkuilen: onvoldoende toelichting op de verschillende voorstellen, voortijdige stemming, eindeloos gezeur van individuele groepsleden over de voordelen van hun eigen voorstel, voorstellen wegstemmen op basis van antipathie, onvoldoende aandacht voor de sociaalemotionele processen in de groep.

- Hulpmiddelen: open gespreksklimaat waarin de afzonderlijke groepsleden vrij hun meningen en hun gevoelens kunnen uiten, inschakelen van ter zaakkundige, kernachtig samenvatten van de verschillende voorstellen en deze ordenen naar kwaliteit.

4. Het kiezen van één oplossing

De groep kiest één oplossing of een combinatie van verschillende oplossingen en legt zich daarop vast.

Kringloop in het besluitvormingsproces (Remmerswaal, 2006, p. 93)

4. Besluit

De groep kiest één oplossing of een combinatie van verschillende oplossingen en legt zich daarop vast.

- Vermijden: eindeloos blijven exploreren van alle “als” en “maar” en om een besluit blijven heen draaien.

- Valkuilen: onvoldoende oordeelsvorming gebrek aan helderheid over de werkzaamheid en consequenties van de gekozen oplossing, voortijdige stemming, geen checken of men voldoende overeenstemming bereikt heeft, identificatie van de voorstellen met personen.

- Hulpmiddelen: open gespreksklimaat voor vrije uitingen van meningen en gevoelens door de afzonderlijke groepsleden, agendering van de bijeenkomst, regelmatige samenvattingen van de discussie, checken van de overeenstemming (bijvoorbeeld opiniepeilingen).

5. Het plannen en uitvoeren van het besluit.

Er wordt een gedetailleerde planning opgesteld voor het uitvoeren van het genomen besluit .Dit vereist het grondig nagaan van de te verwachten gevolgen en moeilijkheden van de gemaakte keuze en het toetsen of deze keuze adequaat is voor het bereiken van het gestelde doel.

Kringloop in het besluitvormingsproces (Remmerswaal, 2006, p. 93) 5. Uitvoering

De kringloop besluit dan nog met:

6. Evaluatie

7. Bijsturing

In deze fase wordt er een gedetailleerde planning opgesteld voor het uitvoeren van het genomen besluit: dit vereist het grondig nagaan van de te verwachten gevolgen en moeilijkheden van de te gemaakte keuze en het toetsen of deze keuze adequaat is voor het bereiken van het gestelde doel. Bij het plannen van de uitviering wordt het besluit nogmaals goed overdacht: soms blijkt dat het dan beter is om een van de voorgaande stappen nog eens over te doen.

- Vermijden: dat nu het op uitvoeren aankomt, plotseling niemand meer enige verantwoordelijkheid durft te nemen.

- Valkuilen: als geen overeenstemming kan worden bereikt : als de individuele consequenties van de voorgestelde uitvoering niet adequaat nagegaan worden en onduidelijk blijft wie voor welk aspect van de uitvoering verantwoordelijk is: als alle verantwoordelijkheid voor de uitvoering naar één groepslid geschoven wordt.

- Hulpmiddelen: feedback, commentaar van observatoren en deskundigen, zorgvuldig afwegen, evaluatie van het hele proces van besluitvorming, opnieuw doordenken van de beschikbare informatie, open gespreksklimaat. (Remmerswaal, 2006, p. 90)

Er zijn zeven conflictstijlen te onderscheiden:

1. Vermijding

De groep blijft aan de oppervlakte waar geen ernstige conflicten kunnen losbranden: ze negeert de oppositie of onderwerpt zich daar meteen aan; conflicten worden onderkend, verdoezeld en verdrongen.

2. Eliminatie

De opponerende groepsleden krijgen een aanleiding om de groep te verlaten. bijv. door spot, negeren, op de kop te geven.

De opponerende groepsleden krijgen een aanleiding om de groep te verlaten. Dit kan gebeuren door hen op de kop te geven, door laster, door spot, door negeren of te doen of zij niet bestaan. Vanuit de andere partij gezien is dit zo’n manier van omgaan met conflicten, dat de oppositie in de groep zich wel terug moet trekken: ’Wij geven het op”, “wij zijn beledigd”, “wij gaan een eigen groep vormen”.

3. Onderdrukking

De groep verzet zich met geweld tegen de oppositie en probeert deze uit de weg te ruimen. De meerderheid dwingt de minderheid tot gehoorzaamheid.

De groep verzet zich met geweld tegen de oppositie en probeert deze uit de weg te ruimen. De meerderheid dwingt de minderheid tot gehoorzaamheid. De minderheid wordt met alle machtsmiddelen onderdrukt en angstig en afhankelijk gehouden: minstens voor enige tijd onderwerpt de zwakkere groep zich hieraan en is ze gehoorzaam onder deze machtsdruk. Vaak nemen echter in verloop van tijd de weerstanden, spanningen en vijandelijkheden zo toe, dat het tot een breuk in de groep komt.

4. Instemming

De meerderheid heerst en bepaalt weliswaar wat er gebeurt, maar de minderheid lijdt niet onder het gevoel van de zwakkere te zijn en geeft haar instemming.

5.

Coalitievorming

De partijen sluiten op basis van verstandige berekeningen een verbond om een bepaald gemeenschappelijk doel te bereiken.

De partijen geven niets op van hun standpunt of bezit, maar sluiten op basis van verstandige berekeningen een verbond om een bepaald gemeenschappelijk doel te bereiken. Het conflict blijft ten volle bewust, maar wordt in “de ijskast gezet” totdat het gestelde doel bereikt is. Blijkt dat het conflict dan nog onveranderd actueel, dan leeft het opnieuw op.

6. Compromis

Dit gebeurt meestal wanneer beide partijen even sterk zijn. Elke partij doet zoveel concessies aan de ander, dat het voortbestaan van de groep niet meer in gevaar is.

Wanneer de strijdende partijen even sterk zijn, dan worden conflicten meestal via compromissen opgelost. Elke partij doet zoveel concessies aan de ander, dat het voortbestaan van de groep niet meer in gevaar is. Elk is bereid om iets van zijn voordelen op te geven voor de probleemoplossing, in de hoop dat ten slotte een groter voordeel bereikt kan worden. De betrokkenen zien weliswaar de noodzaak van zulke concessies in. maar voelen zich niet bevredigt.

7. Integratie

Deze vorm is de beste, maar ook de moeilijkste en zeldzaamste. De groep als geheel werkt aan een oplossing die voor allen bevredigend is en die vaak beter is dan elk van de daaraan voorafgaande deeloplossingen en

gedeeltelijke bevredigingen.

Deze vorm van conflictoplossing is de beste, maar ook de moeilijkste en de zeldzaamste. De elkaar tegensprekende meningen worden bediscussieerd, tegen elkaar afgewogen en opnieuw geformuleerd. De groep als geheel werkt aan een oplossing die voor allen bevredigend is en die vaak groter is en die vaak beter is dan elk van de daaraan voorafgaande deeloplossingen en gedeeltelijke bevredigingen.