Opvoeden en begeleiden

Samenvatting kennisbasis opvoeden en begeleiden

Samenvatting opvoeden en begeleiden

Opvoeden en begeleiden

1. Pedagogische theorieën

Transactionele theorie

Is een praktische theorie over gedrag en communicatie. De modellen en begrippen zijn bruikbaar als je jezelf beter wilt begrijpen en effectiever wilt omgaan en communiceren met anderen. Het basismodel zijn de drie gestapelde bollen. Deze staan voor de drie posities van waaruit we kunnen reageren: Ouder, Volwassene, Kind.

Dynamische systeem theorieën

De dynamische systeemtheorie is een theorie die al langer bekend is binnen de natuurkunde. Zij heeft ook haar intrede gedaan binnen de ontwikkelingspsychologie (Thelen & Smith, 1994). Echter, deze theorie kan ook een waarde hebben binnen de klinische psychologie. Hieronder wordt deze theorie uitgelegd en wordt een link gemaakt met de klinische praktijk.

Een dynamisch systeem is een manier om te beschrijven hoe een toestand verandert in een andere toestand over een bepaalde tijdspanne. Ook psychische toestanden en veranderingen kunnen op die manier bekeken worden.

In de dynamische systeemtheorie wordt gesteld dat psychologische kenmerken slechts bestaan in de interactie tussen het organisme en de omgeving. De ontwikkelingsprocessen zijn daarbij zelf-organiserend, dit dankzij een continue wisselwerking tussen het organisme en de omgeving. Er is daarbij sprake van een complex systeem, wat zich het beste laat karakteriseren door de belangrijkste variabelen, bijvoorbeeld psychisch welbevinden en psychisch lijden.

Politieke en maatschappelijke invloeden op het begeleiden

De invloed op welzijnsorganisaties is groot. Gemeenten zijn opdrachtgever van vele activiteiten. Derhalve kunt u als gemeenteraadslid het college kaders meegeven hoe u de inzet ziet van de welzijnsinstellingen. Over het algemeen houden welzijnsorganisaties zich bezig met maatschappelijk werk, ouderenwerk, jongerenwerk en sociaal-cultureel werk.

Pedagogiek in historisch perspectief

Elke tijd heeft zijn eigen visie op kind, opvoeding en onderwijs. Zo

zijn er in de loop van de geschiedenis uiteenlopende antwoorden gegeven

op de vraag wat de beste manier van opvang en behandeling van

zorgenkinderen is. En wie in het verleden duikt, merkt dat de klachten

over ‘de jeugd van tegenwoordig’ al heel oud zijn.

Het vak Pedagogische Vragen in Historisch Perspectief besteedt aandacht

aan de geschiedenis van het pedagogische denken en biedt inzicht in de

lange termijnveranderingen in opvoedings- en onderwijspraktijken. Daarbij

worden de ontwikkelingen in hun sociale en culturele context geplaatst.

Kennis van het verleden helpt ons hedendaagse verschijnselen en actuele

ontwikkelingen beter te begrijpen.

Visie op opvoeden en begeleiden

De mens kan niet zonder opvoeding. Opvoeden is het begeleiden van kinderen op weg naar hun volwassenheid. De opvoeder is niet steeds bewust aan het opvoeden, want veel opvoedingsmomenten zijn verweven in gewone situaties. De pedagoog Langeveld (1905-1989) waarschuwt zelfs tegen al te nadrukkelijk opvoeden. Het beste is, als de opvoeder zelf bewust handelt, maar dat het voor het kind zo ongemerkt mogelijk is. Bij de opvoeding speelt de voorbeeldfunctie van de opvoeder een grote rol, maar ook de omgeving heeft invloed. In een opvoedingssituatie is een relatie met wederzijds vertrouwen tussen opvoeder en kind onmisbaar.

Opvoedingsdoelen

VRIJHEID

Opvoeden is de jongere bijstaan bij zijn zoektocht naar vrijheid en zelfstandigheid. Het is hem helpen zich vrij te maken van eenzijdigheid en beperktheid. Het is hem helpen zich te verlossen van angst en vervreemding. Zich integreren in de maatschappij, maar er zich tegelijkertijd kritisch tegenover opstellen, is de opgave. Men kan dit een kritische socialisatie noemen en dat hoort het ook te worden, binnen de concrete situatie waarin de jongere zich bevindt en waarin de opvoeding plaatsheeft.

VERANTWOORDELIJKHEID

Opvoeden is de jongere steunen om zich los te maken uit het isolement van een louter ik-gerichte ontwikkeling. Het is ruimte geven om verantwoordelijkheid te oefenen in zeer concrete situaties, aangepast aan de leeftijd en reeds verworven vaardigheden. Het is hem bewust maken van de verbanden waarin hij leeft en waarvan hij voor een stuk afhankelijk is. Het is hem ook bewust maken van het gegeven dat die verbanden levend gehouden moeten worden. Het is jongeren voorbereiden op hun rol in de kleinere en grotere maatschappij en hun situaties aanbieden waarin ze die verantwoordelijkheid kunnen beleven.

VERBONDENHEID

Een mens draagt niet alleen verantwoordelijkheid voor zijn medemens en maatschappij, maar zijn persoonlijk levensproject wint aan kwaliteit naarmate hij zich aan die medemens en de ruimere gemeenschappen kan toevertrouwen. Iedere mens heeft recht op geven en ontvangen in relaties, ook een jonge mens in zijn relaties tot volwassenen. Het levensproject van een mens is immers steeds getekend door vroegere generaties. De wijze waarop men die invloed gebruikt, bepaalt in grote mate iemands persoonlijk levensproject.

ZINGEVING

Naarmate het eigen levensproject duidelijker vorm krijgt, groeit ook de vraag naar de fundering ervan. De opvoeder communiceert daarom ook zijn diepere bestaansgrond. Hoe kijkt hij naar de onderliggende vragen van het leven? Opvoeden is met jongeren in dialoog gaan, in woord en daad. Het is hen laten voelen en weten waar je als opvoeder voor staat, wat je waardevol vindt in het leven, hoe je je eigen leven zin geeft en welke zin. Die zin kan ook gehaald worden in het leven en de boodschap van Jezus van Nazareth.

(Uit: In dialoog met Don Bosco, p. 37-45)

Opvoedingsstijlen

De autoritaire opvoedingsstijl

De ouders domineren, zijn de baas. Zij bepalen de regels en stellen de eisen aan het gedrag van hun kind. Het kind hoort de ouders te gehoorzamen. Rust in de opvoeding, regelmaat en orde dat staat voor op. Luister het kind niet dan volgt er een straf.

De autoritatieve opvoedingsstijl

De ouders stellen redelijk grenzen voor hun kinderen en leggen hun regels duidelijk uit. Ze overleggen veel met de kinderen, er is ruimte voor de eigen inbreng van de kinderen. De ouders voeden op met gezag en liefde. Ook moedigen ze het zelfstandige gedrag van hun kind aan.

De permissieve opvoedingsstijl

De ouders geven hun kind veel positieve aandacht, maar stellen weinig eisen aan hun kinderen. De ouders gaan er vanuit dat aan alle initiatieven en behoeften van het kind tegemoet gekomen moet worden.

De verwaarlozende opvoedingsstijl

De ouder stellen weinig of geen eisen. Er is weinig aandacht, ondersteuning en stimulering voor de kinderen.

Pedagogische relatie

Het pedagogisch klimaat is het geheel van aanwezige en gecreëerde omgevingsfactoren, die invloed hebben op het welbevinden van de leerlingen. En het welbevinden heeft weer invloed op de ontwikkeling en het leervermogen. De leervoorwaarden en de persoonsvorming staan daarbij centraal.

De pedagogische visie en de achterliggende waarden bepalen de manier waarop de leerkracht een pedagogisch klimaat schept. Er zijn diverse factoren die een positief effect hebben op de ontwikkeling van het kind en het leerklimaat in de groep. De eerste factor is het opdoen van positieve ervaringen. De tweede factor is de mate van welbevinden. De derde factor is het stellen van grenzen. Deze dingen beïnvloeden het pedagogisch klimaat, dat op zijn beurt invloed heeft op de ontwikkeling van het zelfbeeld en het vermogen tot zelfregulatie.

Geesteswetenschappelijke pedagogiek

De geesteswetenschappelijke pedagogiek gaat uit van de praktijk van het opvoeden en kijkt naar emotie, gevoel en de wil.

Ze gaat ervan uit dat kinderen los van maatschappelijke invloeden moet kunnen opgroeien. Ieder uniek kind moet de ruimte krijgen om zich te ontplooien. Centraal staat de persoonlijke benadering van de pedagoog waarbij ze moeite doet om het kind en zijn belevingswereld en gevoelswereld te leren kennen.

Zoals iedere stroming heeft de geesteswetenschappelijke pedagogiek ook zijn voor- en nadelen. Een voordeel van deze stroming is dat ze uitgaat van de menselijkheid en alles in dienst stelt van deze menselijkheid. Een nadeel van deze stroming is dat er geen antwoord kan worden gegeven op de vraag wanneer een kind moet leren omgaan met de maatschappij.

Empirisch analytische pedagogiek

In de empirisch analytische pedagogiek is bewijs belangrijk. Alles dat je doet moet wetenschappelijk onderbouwd zijn. Problemen worden objectief en van een afstand bekeken. Naar gevoel wordt niet gekeken, omdat dit niet meetbaar is. De bedoeling is om het gedrag van de mens meetbaar te maken.

Methoden

Er wordt bijvoorbeeld gebruikt gemaakt van cijfers uit een onderzoek. Deze cijfers zijn objectief. Ze kunnen niet anders geïnterpreteerd worden en bevatten geen meningen.

Voorbeeld

Denk aan het vorige voorbeeld. Een kind leeft gelukkig met haar twee ouders. Haar ouders zijn echter niet zo gelukkig. Ze scheiden en het kind wordt nu opgevoed volgens het co-ouderschap. In de empirische analytische pedagogiek wordt er in dit voorbeeld bijvoorbeeld gekeken naar het aantal door co-ouderschap opgevoede kinderen dat de middelbare school haalt.

Kritische pedagogiek

In de kritisch emancipatorische pedagogiek is maatschappelijke engagement belangrijk. Dit betekent dat je betrokken bent bij de maatschappij en die groepen die in de maatschappij leven. Daarbij horen ook onderdrukte groepen. In deze stroming zijn ze kritisch ten opzichte van de verhoudingen in de maatschappij zoals die nu zijn. Ze verzetten zich tegen onrecht en onderdrukking. Het doel hiervan is bevrijding en het creëren van een betere wereld. Kinderen moeten kunnen opgroeien zonder belemmeringen. Ze moeten worden opgevoed in een gelijke wereld. Opvoeders moeten strijden tegen onrecht en de wereld beter maken voor kinderen. Je kunt niet neutraal zijn binnen deze stroming, je hebt altijd een wens of verlangen om iets beter te maken.

Methoden

De ideologiekritiek is een voorbeeld van een methode. Hierbij wordt een bepaald systeem bekeken en geanalyseerd. Daarbij wordt er gekeken of er in dit systeem gelijke kansen zijn voor iedereen. Daarnaast wordt er ook gebruik gemaakt van het handelingsonderzoek. Hierbij wordt er een onderzoek gedaan waarbij tijdens het onderzoek een verandering wordt aangebracht. Deze verandering moet te maken hebben met verbetering en gelijke kansen voor iedereen.

Voorbeeld

Er wordt in het voorbeeld van het kind dat opeens te maken krijgt met co-ouders, gekeken naar of kinderen met co-ouders evenveel kansen krijgen in het leven als kinderen zonder co-ouders.

Cultuurhistorische school in de pedagogiek

Vygotsky is de grondlegger van de cultuurhistorische school. Hij wordt in 1896 geboren in Orša een klein plaatsje in Rusland.

Zijn publicaties gaan over bijvoorbeeld de relatie tussen een individu en de cultuur en de rol van communicatieprocessen in opvoeding en onderwijs. Het bekendste boek dat Vygotsky geschreven heeft is: 'Denken en Spreken' waarin hij verteld over zijn onderzoek naar hoe cognitieve processen veranderde na alfabetisering. Tijdens het Sovjetregime onder Stalin worden veel van Vygotsky’s ideeën niet gewaardeerd. Daarom worden de theorieën van Vygotsky pas in de jaren 70 voor het grote publiek bekend.

Taal analytische pedagogiek

De analytische filosofie is een algemene verzamelnaam voor een bepaalde stijl van filosoferen in de hedendaagse filosofie die vooral in de Angelsaksische landen ging overheersen in de 20ste eeuw. Kenmerkend voor analytische filosofie is het streven naar helderheid in verwoording en argumentatie van het ideeëngoed, meer in het bijzonder in de natuurwetenschappen.

2. Veranderkundige modellen

Veranderkundige modellen

Validation

Ontwikkeld door Naomi Feil

Zeer praktische methode.

Verwant aan de ROT-methode.

De ouder wordende dementerende mens vanuit haar/zijn eigenheid kansen te bieden op het zo concreet mogelijk vasthouden van zelfstandigheid en eigen communicatiemogelijkheden.

Het accepteren van en een respecterende houding jegens de ouder wordende medemens zoals deze zich presenteert is basisvoorwaarde. Daar horen alle bijkomende kenmerken bij!

Door zorgvuldig luisteren, (mee)kijken, volgen (oogcontact), lichaamssignalen leren lezen, e.d., komen de innerlijke belevingen beter in beeld en worden deze beter begrepen.

De ondersteuner gaat dus mee terug in de tijd, mee in de verwoording van innerlijke ervaringen of verhalen, om de onderliggende thema’s uit het leven van deze persoon scherper te krijgen.

Er zijn 4 centrale elementen:

1) de oudere mens heeft te maken met onopgeloste levensvragen, die uit de eigen geschiedenis naar voren komen (de strijd die Erikson typeert als ‘wanhoop’);

2) met behulp van Validation komen vier fasen van het ouder worden in beeld (verwarring, verlies van tijdbesef, herhaalde bewegingen, isolement);

3) het gaat om een integrale (holistische) benadering van fysieke, psychische en sociale aspecten;

4) er wordt gebruik gemaakt van (non-/verbale) groepstechnieken (volgens het Validation Institute ontwikkeld).

Gentle Teaching

Gentle Teaching is een begeleidingsmethodiek die wordt gebruikt in de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking.

De methode is erop gericht een warme relatie te ontwikkelen tussen de begeleider en cliënt.

De visie van Gentle Teaching is dat ieder mens behoefte heeft aan verbondenheid met anderen.

Realiteits Oriëntatie Training (ROT)

Een trainingsmethodiek waarin het accent ligt op een ‘stimulerende omgeving’

Daarin wordt van een aantal structurele en vaste terugkerende elementen uit de werkelijkheid voortdurend informatie verstrekt, m.n. over tijd, plaats en personen.

Hierbij wordt gebruik gemaakt van verwijzers (ROT-borden): dagschema’s, maand- en jaaroverzichten en programma’s, wegwijzers in de ruimten, wie wanneer waar. Iemand maakt zich bijv. steeds bekend en verwijst standaard naar de laatste keer dat men elkaar gezien heeft.

Dit is geen onomstreden methode en heeft in latere stadia van dementie geen positieve functie meer.

ROT is een mogelijkheid om het contact met de alledaagse werkelijkheid te behouden of te hervinden.

Deze werkwijze is echter veeleisend: flexibiliteit, geduld, inzet, inlevingsvermogen, een constante actieve instelling.

3. Begeleidingskunde

Begeleidingskunde: de Van Dale kent het woord niet maar het betekent dat je professioneel begeleider bent en begeleiding kan geven op alle niveaus.(supervisie, intervisie etc.)

Training: Een training is vaak korter dan een opleiding of een cursus, duurt meestal één of meerdere dagen. Trainingen zijn er vaak op gericht om je bestaande vaardigheden uit te breiden / verder te ontwikkelen. Ze bevatten weinig theorie en de focus ligt voornamelijk op de praktijk. In enkele gevallen krijg je na het behalen van de training een certificaat.

Cursus: Een cursus is vaak een aanvulling op je opleiding/interesse. Meestal is een cursus erg gericht op praktijkoefeningen. Een cursus heeft vaak een iets kortere doorlooptijd dan een opleiding en wordt meestal afgesloten met een examen/test. Bij het behalen van de cursus krijg je meestal een certificaat.

Teambuilding: teambuilding is een verzamelnaam voor een reeks groepsactiviteiten, waarbij samenwerking centraal staat. Doel van deze activiteiten is om onderlinge samenwerking, sociale binding, vertrouwen, groepsdynamiek en efficiëntie te creëren binnen een groep mensen. Teambuilding wordt regelmatig georganiseerd door bedrijven en instellingen zoals scholen en sportteams.

Teambuilding kan verschillende soorten activiteiten omvatten, zowel mentaal (puzzels en vraagstukken) als fysiek (hindernisloop, sportactiviteiten enz). De voornaamste soorten opdrachten zijn:

· opdrachten gericht op communicatie en het geven van feedback

· problemen oplossen

· hindernissen overwinnen

· opdrachten waarbij planning belangrijk is.

· opdrachten waarbij onderling vertrouwen vereist is.

Teambegeleiding: Teambegeleiding kent haar basis in de theorieën betreffende teamontwikkeling en de groepsdynamica. teambegeleiding kun je inzetten om te zorgen dat;

· een team goed functioneert, maar de onderlinge samenwerking wil verbeteren

· er verstarde verhoudingen zijn

· er communicatiestoornissen zijn

· er een veranderde structuur is door bijvoorbeeld een reorganisatie

Consultancy: Het werkwoord "consultare" betekent in het Latijn letterlijk "om raad vragen". Een adviseur of consultant is meestal een deskundige of een professional op een specifiek gebied en heeft een brede kennis van het onderwerp.

Counseling: is een laagdrempelige vorm van (emotionele) hulpverlening. Letterlijk vertaald uit het Engels betekent het raadgeven. Counseling heeft veel raakvlakken met psychotherapie. Zo worden verschillende inzichten uit de psychotherapie toegepast, met als doel om problemen op te lossen of te verlichten en om vragen te beantwoorden.

Toch is counseling (met nadruk) geen psychotherapie. Zo houdt counseling zich niet bezig met psychiatrische stoornissen of zware psycho-sociale problematieken. Daarbij richt counseling zich primair op het 'hier-en-nu'.

Counseling is daarom ideaal:

· bij problemen met een (lichte) psycho-sociale achtergrond; denk aan aanhoudende stress, een gevoel van niet gelukkig zijn of aan het niet optimaal kunnen functioneren

· om inzichten te verkrijgen in (levens)vragen; denk aan vragen over het nut van het eigen bestaan, waar naar toe te willen in het leven of aan onzekerheid of men 'goed bezig is'

Counseling richt zich dus op problemen en vragen met een (lichte) psycho-sociale achtergrond, waarbij er geen sprake is van een psychiatrische stoornis. Dit lijkt wellicht een klein werkgebied. Toch vallen de meeste problemen en vragen binnen dit veld.

Het doel van counseling is het helpen van mensen bij:

· het oplossen of hanteren van problemen

· het vinden van antwoorden op vragen

· het benutten van ongebruikte mogelijkheden

· het ontwikkelen van kennis en vaardigheden

Counseling is resultaatgericht en pragmatisch van aard. Het gaat er om dat een cliënt doelen gaat formuleren en gaat handelen om deze doelen te bereiken.

Coaching: Coaching is een vorm van persoonlijke begeleiding op basis van een gelijkwaardige één-op-één-relatie. De gecoachte leert, de coach ondersteunt en begeleidt dit leerproces. Binnen het coachingstraject worden de doelen vooraf bepaald. Het doel van coaching is het vergroten van de persoonlijke effectiviteit en professionele bekwaamheid van de coachee.

Kenmerkend van een coachingstraject is dat de coach door de coachee wordt uitgezocht. In het coachingstraject is de coach degene die het leerproces begeleidt en monitort en de cliënt of coachee wordt 'gecoacht'. De cliënt bepaalt het doel: de coach stelt vragen, geeft adviezen en voegt waar nodig kennis toe. De klant blijft zelf verantwoordelijk voor zijn of haar beslissingen.

Coaching van groepen is echter ook mogelijk. De coach zoekt dan naar collectieve patronen in gedrag en denken in de groep.

Coaching kan inhoudelijk zijn of meer procesmatig. Bij inhoudelijke coaching is de coach iemand die een bepaald traject al heeft doorlopen en die iemand anders daarin adviseert. Als voorbeeld kan de ex-toptennisser genoemd worden die de beginnende (top)tennisser adviseert over techniek en tactiek van het tennisspel. Een coach speelt een belangrijke rol bij onzekerheidsreductie en wegnemen van faalangst, mental coaching.

Gesprekken tussen coach en gecoachte hebben een concreet doel: iets willen en kunnen wat de gecoachte voorheen niet kon, de mogelijkheid om nieuw gedrag te vertonen.

Coaching is: Motivatie opgang brengen om te veranderen. De gecoachte maakt altijd het onderstaande proces van leren door: Van Onbewust Onbekwaam naar Bewust Onbekwaam en dan naar Bewust Bekwaam en uiteindelijk wordt het Onbewust Bekwaam handelen.

Bij de procesmatige coach moet er meer gedacht worden aan een mental coach die adviseert hoe er omgegaan moet worden met verliezen, met intimiderende tegenstanders, met de pers en die denkt aan een juiste balans tussen leven en werken. Iemand die van een afstand en met minder belangen en daardoor rustiger meedenkt met de cliënt.

Coaching en psychische gezondheid: Coaching kan een belangrijke preventieve werking hebben voor psychische klachten als depressie,burn-out of bore-out. Stagnatie in bekwaamheid en verdere ontwikkeling, worden immers als belangrijke bronnen van oorsprong van deze klachten beschouwd. Het loont om de klachten voor te zijn door met behulp van een coach aan de inherente ontwikkelbehoefte van mensen bij te dragen.

Werkbegeleiding: De werkbegeleider in de meest zuivere vorm is een medewerker als directe begeleider van de student op de werkvloer, ze werkt met de student samen, en kijkt over de schouder mee en stelt de vorderingen van de deelnemer vast. Als werkbegeleider is het van belang dat je studenten competentiegericht kunt opleiden om recht te doen aan de kwaliteit van leren van studenten vanuit competentiegericht onderwijs.

Methodische praktijkbegeleiding: Methodische praktijkbegeleiding staat voor een methodisch aangeboden begeleidingsproces dat zich richt op de persoon van de groepswerker en het werkkader waarin deze werkzaam is. De specifieke setting van de groepswerker is daarbij bepalend voor hetgeen aan specifieke vaardigheden van de groepswerker gevraagd wordt.

Bijvoorbeeld: Op het mbo de leerlingen die stage lopen begeleiden door middel van methodische praktijkbegeleiding.

Mentorschap: Als mentor bent u de wettelijk vertegenwoordiger en belangenbehartiger van uw cliënt. Nadat de kantonrechter het verzoek voor mentorschap heeft ontvangen, zal hij bepalen of hij het mentorschap uitspreekt en wie de mentor wordt. Het kan zijn dat hij een zitting wilt laten plaatsvinden, dan zullen onder andere u en de cliënt worden opgeroepen. Na de zogenoemde ‘beschikking’ is het mentorschap officieel. Vanaf dat moment, tenzij anders afgesproken, bent u de mentor van uw cliënt. U bent bevoegd om, wanneer de cliënt dat zelf niet wil of kan, te beslissen over zijn of haar verzorging en behandeling. Daar betrekt u uw cliënt zoveel als mogelijk bij. Als uw cliënt daartoe niet in staat is, houdt u rekening met zijn wensen en behoeften. U bent dus de adviseur en de vertegenwoordiger van uw cliënt. Hij kan op uw integriteit vertrouwen, ook als hij dat niet meer zo kan uitspreken.

Supervisie: Supervisie is een individueel leertraject onder leiding van een supervisor waarbij methodisch wordt ingegaan op de persoonlijke leervragen die iemand heeft ten aanzien van zijn of haar werk. Het is een vorm van reflecteren op de eigen werkstijl. Het geeft zicht op welke situaties iemand problemen opleveren, waar dit mee te maken kan hebben, hoe ze ermee omgaan en welke alternatieven er zijn. De "supervisanten" verkennen en herkennen vaste patronen en gaan op zoek naar dieperliggende motieven en overtuigingen die hun interacties sturen. Ze leren denken voelen en handelen adequaat op elkaar af te stemmen en eigen ervaringen in hun werk zodanig te overdenken en te doorzien dat het leidt tot een beter functioneren. Bij supervisie ligt het accent op het leren ook voor volgende situaties. Een supervisie is of individueel met de supervisor of in een klein groepje van maximaal drie personen.

Begeleidende intervisie: Intervisie is een vorm van deskundigheidsbevordering waarbij medewerkers een beroep doen op collega's om mee te denken over persoon- en functiegebonden vraagstukken en knelpunten uit de eigen werksituatie. Ze vormen samen een intervisiegroep. Het meedenken gebeurt niet door het aandragen van oplossingen maar door het stellen van vragen om zo met behulp van eigen analytisch en probleemoplossend vermogen zicht te krijgen op het ingebrachte probleem en hoe hierin te handelen. Het is een methodiek waarbij de eigen deskundigheid binnen de organisatie wordt benut en verder wordt ontwikkeld met als doel het bevorderen van de kwaliteit van het werk. Een intervisie beslaat een langere periode, met een klein aantal vaste deelnemers. Vooraf worden afspraken gemaakt over de spelregels, de doelstellingen en de werkwijze van intervisie. Het proces vraagt van de deelnemers de nodige basisvaardigheden. Intervisie kan zowel zelfstandig als onder begeleiding plaats vinden. Binnen een intervisiegroep mag geen sprake zijn van hiërarchie.

Leertherapie: In leertherapie word je aangemoedigd om jezelf te verkennen en je eigen stijl te ontwikkelen en te leren vertrouwen op je ontwikkelde intuïtie en vakmanschap. Samen zorg je er voor dat er een proces van bewustwording op gang komt en dat je het inzicht in jezelf vergroot, om zo uiteindelijk beter te kunnen functioneren in je persoonlijke leven, maar ook binnen je (toekomstige) werk. Het is de bedoeling dat je in elke situatie het contact met jezelf behoudt en daardoor met de ander.

Mediation: Conflictbemiddeling of mediation is een interventie van een bemiddelaar om twee of meer personen, partijen of groepen die een geschil hebben met elkaar in gesprek te brengen teneinde onderling tot een oplossing te komen. Bemiddeling is vooral nuttig als de communicatie verstoord is, als rechtstreekse onderhandeling tussen de partijen belemmerd wordt door een wederzijds gebrek aan vertrouwen, of als er sprake is van een escalatie. Bemiddeling kan zelfs werken als een van beide partijen zo kwaad of beledigd is, dat hij weigert nog langer met de andere partij te praten. Het doel van conflictbemiddeling is niet een oplossing waar alle partijen 100% enthousiast over zijn (zou wel mooi zijn, maar gebeurt zelden); het doel is slechts een oplossing tot stand te laten komen waarin beide partijen zich kunnen vinden en die in hun belangen op aanvaardbare wijze tegemoet komt. De mediator laat partijen aldus de gang maken van standpunten naar belangen en ondersteunt hen in de verbetering van hun communicatie. de mediator blijft bewust inhoudelijk op afstand ("lijdelijk") en laat daarmee de conflictpartijen hun geschil zèlf oplossen. Terwijl de bemiddelaar actief en op inhoudsniveau bij de partijen onderzoekt waar de belangen liggen, waar ze botsen en waar de pijn zit, om vervolgens zelf met een inhoudelijk oplossingsvoorstel te komen waartegen partijen ja of nee kunnen zeggen.

Bijvoorbeeld: In de klas twee rivaliserende jongeren begeleiden door middel van mediation waarna een werkbare situatie ontstaat.

Loopbaanbegeleiding: Loopbaanbegeleiding helpt werkenden bij het nemen van loopbaankeuzes en –beslissingen en biedt het individu een professionele gesprekspartner die hen:

· inzicht geeft in het eigen kunnen en willen met betrekking tot de toekomst van hun werk.

· inzicht geeft in en begeleiding biedt bij de mogelijkheden om deze wensen en potenties te realiseren, bijvoorbeeld op de (interne) arbeidsmarkt en/of via een opleidingstraject.

In een reeks gesprekken, gecombineerd met het gebruik van reflectieopdrachten en/of tests, worden werkenden professioneel ondersteund in het proces van ontdekken, versterken en/of ontwikkelen van de competenties die nodig zijn om de eigen loopbaan actief te beheren. Zelfsturing en zelfredzaamheid staan hierbij voorop.

Loopbaanbegeleiding is eigenlijk een heel ruim begrip. Het gaat om alle vormen van begeleiding, hulpmiddelen en instrumenten die mensen kunnen helpen wanneer ze met loopbaanvragen zitten. Hoewel loopbaanbegeleiding geen nieuw fenomeen is, bestaat er geen vaste definitie van het concept.

Loopbaanbegeleiding kan verschillende vormen aannemen: binnen of buiten het bedrijf of de organisatie, individueel of in groep, voor werkenden, werkzoekenden, leerlingen ect.

Co-teaching: Co-teaching is een manier om het handelingsrepertoire van een leerkracht te vergroten, doordat een andere leerkracht als gelijkwaardige partner in de klas komt om de zittende docent te ondersteunen.

Uitwerking Kennisbasis Opvoeden en begeleiden.

Nummer 4. Begeleiden in de context.

Opvoedingsverantwoordelijkheid ligt divers bij onderwijs, buurt, residentiële instelling, gezin.

Gezinssituatie: Opvoeden heeft te maken met waarden en normen. Van de ouders hoort een kind wat goed en fout is. De opvoeding heeft invloed op het gedrag.

Pedagogische situatie: basis voor de persoonlijkheids-en identiteitsontwikkeling van het kind. Overdracht en internalisering van waarden-en normensysteem vind plaats.

Verantwoordelijkheid van onderwijs om kennis bij te brengen.

Verder vormt het kind zich tijdens het omgaan met sociale situaties zoals met vrienden of in verenigingsverband (bijvoorbeeld sportclub).

Emancipatorische hulpverlening

· Emancipatie in eerste instantie greep krijgen op het eigen leven los van betutteling. Het scheppen van een ruimte waarin eigenheid en autonomie maximaal ontplooid kan worden en waarbij mensen loskomen van de overheersende positie en betutteling van bijv een begeleider/hulpverlener.

· uitgangspunten: Gelijkwaardigheid uit gaan van de eigen mogelijkheden van de persoon en ondersteunen hem of haar waar nodig. Hierbij wordt veel belang gehecht aan de wederzijdse communicatie en ook de noodzaak van ondersteunende communicatie.

· Keuzevrijheid /Autonomie betekent eigen keuzen kunnen en mogen maken.

· Inspraak en verantwoordelijkheid ; client zelf inspraak over zijn leven en daardoor ook het nemen van zijn verantwoordelijkheid. Voor de begeleiding betekent ‘coachen’ in plaats van begeleiden.

· Ondersteuning, hier wordt uit gegaan van het principe van flexibiliteit en de zorg op maat. Weg met de totaalzorg. ER wordt gestreefd naar maximale zelfstandigheid en ontplooiing en bieden enkel en alleen ondersteuning op die domeinen waarop de ondersteuning nodig is.

· Sociale (ondersteunings)netwerken, het betrekken van de ervaringsdeskundigen en andere belangrijke derden in het leven van de client bij de zorg/hulpverlening.

· Respectvolle bejegening een visie en een attitude die gekenmerkt wordt door zelfkennis, kritische (zelf)reflectie, emoties bespreekbaar stellen, acceptatie, interesse, inlevingsvermogen, duidelijke grenzen stellen bij zichzelf, e.d. Deze attitudes zijn essentieel voor de ‘coach’ en voor de emancipatorisch gerichte begeleider.

Begeleiding bij rouw en verlies.

Er zijn 2 theoretische modellen bij verlieservaringen.

· De fasentheorie van Elisabeth Kubler-Ross

· De takentheorie van J.william Worden

Kubler Ross heeft na onderzoek vastgesteld dat mensen in bij rouw een aantal fasen doorlopen, (vandaar de naam fasentheorie) Deze fasen zijn niet alleen toepasbaar binnen rouw maar bij alle vormen van onthechting. De fasen staan hieronder beschreven echter eerst een aantal kanttekeningen bij deze fasen:

· Niet iedereen maakt fasen op dezelfde manier door

· Niet iedereen doorloopt alle fasen en in dezelfde volgorde

· De fasen vormen geen standaardbegeleidingsmodel

· De fasen dienen als indicatie, bijv. om iemands zijn reactie te begrijpen

· Het is belangrijk dat mensen het proces doorlopen en dat ze dat vooral in hun eigen tempo doen, sleur iemand dus niet door de fasen heen.

De verschillende fasen

Fase 1 Ongeloof, ontkenning

Fase 2 Boosheid

Fase 3 Vervanging (voor het verlies)

Fase 4 acceptatie

Fase 5 verwerking

J. William Worden heeft na uitgebreid onderzoek de taken theorie ontwikkeld. Met het accent op taken neemt hij afstand van de fasentheorie van Kubler-Ross. Hij houdt hierdoor ook rekening met de bezwaren tegen de theorie van Kubler-Ross, namelijk dat niet iedereen alle fasen doorloopt en ook niet in de door haar benoemde volgorde.

Hij stelt dat iemand na een verlieservaring vier taken heeft. Een taak moet zien je zien als een soort opdracht die iemand zichzelf geeft om aan te werken:

· Aanvaarden van het verlies

· Verwerken van de pijn

· Aanpassen van het leven zonder degene die er niet meer is

· Alles emotioneel een plek geven en verder leven

Allicht zullen er toch wel overeenkomsten zijn met de theorie van Kubler-Ross. Het verschil zit hem vooral in de benadering en daarmee ook in je begeleiding. Bij kubler-Ross is het fase doorlopen en bij Worden is het taak volbrengen.

1ste milieu, tweede milieu en derde milieu

Binnen de sociale pedagogiek worden er drie milieus onderscheiden

Gezin = eerste opvoedingsmilieu

school = tweede opvoedingsmilieu

buiten school = derde opvoedingsmilieu

Ú derde opvoedingsmilieu = corrigerend en/of aanvullend (bijv, hulpverlening residuele benadering)

Begeleidingscontextmodel

Dit model maakt duidelijk dat de vorm van begeleiding afhangt van de context van de begeleidingsvraag. Wordt vooral veel binnen de begeleidingskunde gebruikt.

4. Begeleiden van (specifieke doelgroepen)

Ontwikkelingsopgave kind

Opvoedingsopgave ouder

Normale problemen

Ernstige problemen

± 12-19 jaar: Belangrijke opvoedmilieus: gezin, school, vrienden, werkkring, andere sociale contacten

Emotionele (en praktische) zelfstandigheid; omgaan met eigen en andere sekse; ontwikkeling van waardesysteem; persoonlijkheidsontwikkeling, school, beroep en samenleving

Emotionele steun bieden; tolerantie voor experimenten; leeftijdsadequate grenzen stellen; voorbeeldfunctie vervullen; meer symmetrische relatie met kind aangaan

Gebruik psychoactieve stoffen (alcohol, drugs); twijfels over identiteit en/of toekomst; problemen met uiterlijk; problemen met autoriteiten; incidenteel spijbelen

Alcohol, drugs; stoornis in de identiteit; anorexia en boulimia (nervosa); problemen bij seksuele oriëntatie; suïcide; oppositionele gedragsstoornis puber; gedragsstoornis in groepsverband; delinquentie; schooluitval

Iedere doelgroep en/of leeftijdsgroep kent zijn specifieke begeleidingsopgaven en/of opvoedingsopgaven. Begeleiding bieden rekening houdend met geslacht, ziektes, leeftijd, temperament, eigenschappen, talenten, persoonlijkheid, ontwikkelingsfase en cultuur.

(Overzicht van ontwikkelingsopgaven, opvoedingsopgaven en veel voorkomende “normale” en ernstige problemen (Van Yperen, 2009).

Voorbeelden.

5. Opvoeden van pubers, jong volwassenen, jonge kind.

Iedere ouder heeft in meer of mindere mate ideeën over wat hij of zij met de opvoeding van het kind wil bereiken. Die opvoedidealen of doelen ontstaan op basis van hoe ouders zelf zijn opgevoed, hun persoonlijkheidsontwikkeling, het sociale netwerk (familie, kennissen en bekenden) en de maatschappelijke en culturele omgeving waar ouders deel van uitmaken (Blokland, 2008). Afhankelijk van de opvoeddoelen die ouders hebben, maken zij inschattingen van het gedrag van hun kind en hoe zij op het gedrag van hun kind reageren (Bucx en De Roos, 2011).

De mate waarin ouders nadruk leggen op opvoeddoelen zijn cultuurafhankelijk (Van Schravendijk, 2010). Zoals te zien in de top 10 waarderen ouders in Nederland vooral opvoeddoelen die te maken hebben met autonomie (Bucx en De Roos, 2011). Kinderen hebben tegenwoordig veel meer dan vroeger een eigen leven en een individuele positie binnen het gezin. Daarnaast vinden ouders assertiviteit en respectvol met anderen omgaan belangrijk. Ouders zeggen relatief weinig belang te hechten aan goede schoolresultaten en aan ijver en ambitie.

Naast de individuele opvoeddoelen zijn er ook universele opvoeddoelen die alle ouders - wereldwijd- als basisprincipes in de opvoeding nastreven. Dit zijn:

  • Het waarborgen van het fysieke, sociale en emotionele welzijn van het kind;
  • Kinderen voorzien van de economische competenties om te overleven als volwassenen;
  • Culturele waarden en normen overdragen, waardoor kinderen zich de cultuur eigen maken van de samenleving waarin zij opgroeien (LeVine, 1977).

(Nederlands Jeugd Instituut, 2015)

Opvoedondersteuning.

Wanneer ouders met opvoedproblemen er zelf niet uitkomen, kunnen ze voor informatie, advies, cursussen en trainingen terecht bij gespecialiseerde professionals. Zij geven pedagogische ondersteuning via het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG), wijkteam, jeugdhulp, jeugdgezondheidszorg, welzijnsinstellingen, de kinderopvang of het onderwijs.

Opvoedingsondersteuning speelt in op de behoefte van ouders om te zorgen voor de optimale ontwikkeling van hun kinderen. Opvoedingsondersteuning kan preventief zijn. Dan helpt het problemen in de opvoeding en in de ontwikkeling van het kind voorkomen. Opvoedingsondersteuning kan ook curatief zijn, dat wil zeggen: bestaande problemen helpen oplossen. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer ouders te weinig kunnen doen aan stoornissen in de ontwikkeling van een kind. Of wanneer ze de controle over het gedrag van het kind zijn kwijtgeraakt en zelf in problemen komen. Opvoedingsondersteuning kan dan helpen een einde aan de problemen te maken en ervoor zorgen dat ouders weer vat op de opvoeding krijgen.

Doelen van de opvoedingsondersteuning

Opvoedingsondersteuning is gericht op het verbeteren van de opvoedingssituatie van kinderen, voor zover ouders daarvoor verantwoordelijk zijn. Die steun heeft drie concrete doelen:

- Het voorkomen van problemen in de opvoeding of de ontwikkeling van kinderen door informatie te geven over alledaagse opvoedvragen of door tijdig zwaardere problemen als kindermishandeling, gezondheidsproblemen of onderwijsachterstand te signaleren;

- Het helpen oplossen van bestaande zorgen en problemen bij het opgroeien en opvoeden via een adviesgesprek of door praktische hulp te bieden voor bijvoorbeeld het organiseren van een omgangsregeling bij scheiding of financiële ondersteuning bij schulden;

- Het versterken van de pedagogische competenties en vaardigheden van ouders, bijvoorbeeld via ouderbijeenkomsten, oudercursussen of oudertrainingen, om daarmee hun zelfredzaamheid te vergroten.

Draaglast verminderen en draagkracht versterken

Bij opvoedingsondersteuning is het streven de draaglast en draagkracht van de ouders voor opvoedingstaken in balans te krijgen. Het tijdig signaleren van dreigende problemen in de ontwikkeling van kinderen of in de opvoedingspraktijk van de ouders draagt bij aan het beheersbaar houden van de draaglast. Daarnaast is het bieden van praktische steun bij dreigende of al aanwezige problemen bevorderlijk voor de draagkracht. Het balansmodel dat in de jaren negentig is ontwikkeld, is een hulpmiddel om beschermende factoren en risicofactoren voor de ontwikkeling van een kind in kaart te brengen en keuzes in benodigde opvoedingsondersteuning te maken (Bakker e.a. 1998).

(Nederlands Jeugd Instituut, 2015)

Tijdens de ontwikkeling van baby tot volwassene doorloopt een kind verschillende fasen. In elk van die fasen komt het kind ontwikkeltaken tegen die op elkaar voortborduren. Een baby moet bijvoorbeeld eerst leren zitten en dan optrekken en staan, om dan pas te kunnen leren lopen. Ook het opbouwen van een veilige relatie met de opvoeder alvorens te kunnen omgaan met leeftijdsgenoten, is een voorbeeld van een ontwikkelingstaak die kinderen stapsgewijs onder de knie krijgen. Voor kinderen zelf is dit een onbewust proces. Zij hebben niet het idee met ontwikkeltaken bezig te zijn (Blokland 2008).

Wat vraagt dit van ouders?

De ontwikkeling van het kind vraagt van de ouders dat ze hun opvoeding in elke fase afstemmen op wat hun kind al kan en wat het nog moet leren (Blokland 2008). De ontwikkeltaken van het kind stellen opvoeders dus in elke fase voor daaraan gekoppelde opvoedtaken. Voor ouders is het vaak zoeken naar wat realistisch is om te verwachten van het kind. Zulke verwachtingen zijn gebaseerd op een combinatie van het karakter van het kind, de context waarin het gezin zich bevindt en van kennis over wat kinderen in een bepaalde fase zouden moeten kunnen (Sanders 2012).

Begeleiding bij ontwikkeltaken

Ouders kunnen hun kind bij de ontwikkeltaken het best begeleiden door te kijken naar wat het kind op dat moment kan. Kinderen leren het meest van uitdagingen, taken en activiteiten die nét een beetje moeilijker zijn dan wat ze al zelf kunnen. Door aan te sluiten bij wat het kind alleen kan en te helpen bij wat het nog net niet kan, doen kinderen kennis en vaardigheden op die ze alleen nog niet hadden kunnen verwerven (Kohnstamm 2009).

Ontwikkeltaken in relatie tot opvoedtaken.

De ontwikkeltaken van het kind en opvoedtaken van ouders spelen op elkaar in. Kinderen die in de loop van hun ontwikkeling voldoende steun ervaren vanuit hun omgeving, zijn beter in staat de opeenvolgende ontwikkeltaken uit te voeren. Ook krijgen deze kinderen meer zelfvertrouwen en zijn ze beter in de sociale omgang met anderen. Kinderen die weinig steun in de opvoeding ervaren, ontwikkelen minder vertrouwen in zichzelf en in anderen. Mede daardoor kunnen zij meer problemen hebben in het volbrengen van volgende ontwikkeltaken (Meij 2011).

Problemen in de ontwikkeling

Bij het vervullen van ontwikkeltaken kunnen soms problemen optreden. Een kind kan bijvoorbeeld een tijd lang snel bang zijn, druk gedrag vertonen, tegendraads of agressief zijn, of last hebben van piekeren. Veel van deze problemen zijn heel normaal in de ontwikkeling. Om erger te voorkomen, vraagt het van ouders dan dat zij snel en adequaat reageren. Want bij ernstige problemen en opvoeders die niet weten hoe ze hiermee om moeten gaan, kan de ontwikkeling van het kind stagneren of ontsporen. Opvoedondersteuning - meer of minder intensief - kan ouders dan helpen om de juiste strategieën in te zetten bij het begeleiden van het kind in de ontwikkeltaken die op dat moment spelen.

Begeleiden van chronisch zieken, dementerenden, mensen met verstandelijke beperkingen, psychiatrische cliënten, verslaafden.

1. Chronisch zieken.

Serie communicatietips

Communiceren is zo’n belangrijk deel van het werk van de praktijkondersteuner, dat het goed is daaraan veel aandacht te besteden. In de diverse situaties in de spreekkamer komen steeds andere vaardigheden naar voren. Het geven van voorlichting vergt bijvoorbeeld een andere benadering dan het uitdiepen van de hulpvraag. En het bespreken van een gezondheidsprobleem met iemand die het Nederlands niet goed beheerst of met een andere culturele achtergrond dan jij, kan soms lastig zijn. In een korte serie geeft TPO een aantal tips die het communiceren met de patiënt kunnen vergemakkelijken. In eerdere afleveringen kwamen enkele algemene tips aan de orde; alsook het geven van voorlichting, het omgaan met andere referentiekaders en het bespreken van het vasten tijdens de ramadan. Ditmaal staat het omgaan met chronisch zieken centraal.

Het abc van chronische ziekten

Praktijkondersteuners zien voortdurend mensen met een chronische ziekte, ofwel ‘een onomkeerbare aandoening, zonder uitzicht op volledig herstel, met een variabel ziektebeloop, die het dagelijks leven van de patiënt beïnvloedt’. Waar geen echte genezing kan zijn, gaat het vooral om het zo veel mogelijk verlichten van de klachten en symptomen en het vertragen van het ziekteproces. Dat is mooi werk, maar voor de patiënt kan de confrontatie met het chronische karakter van zijn ziekte zeer ingrijpend zijn en de verslechtering van de symptomen kan tot grote moedeloosheid leiden. In feite is daarbij sprake van ‘rouwverwerking’: de patiënt verliest niet alleen zijn gezondheid en (op den duur) zijn autonomie, maar ook de vanzelfsprekendheid waarmee het leven zich voordien voltrok. Iedereen verwerkt dergelijke gevoelens op zijn eigen manier, en het is dan ook niet verwonderlijk dat zich thuis soms botsingen kunnen voordoen. Daar komt nog bij dat ook in het sociale leven vaak ingrijpende veranderingen plaatsvinden. De patiënt krijgt dus heel wat ‘voor zijn kiezen’. Met de juiste communicatieve vaardigheden kan de praktijkondersteuner de patiënt helpen daarmee om te gaan.

Realiseer je dat een chronische ziekte het leven van patiënten danig kan beïnvloeden.

Voor de meeste mensen heeft een chronische ziekte ingrijpende gevolgen voor het leven van alledag; dit ziet er vaak volledig anders uit dan voorheen. De boodschap dat zij ‘moeten leren leven met hun ziekte’ betekent dat zij afscheid moeten nemen van zichzelf als gezond mens en dat ze zullen worden geconfronteerd met steeds meer beperkingen. Voor veel patiënten komt dit heel hard aan en sommigen zullen zich niet gemakkelijk bij deze boodschap neerleggen. Niet iedereen blijft goedgehumeurd bij dagelijkse klachten, niet iedereen accepteert een diagnose zonder verzet of boosheid. Een standaardzinnetje als ‘probeer ondanks de klachten zoveel mogelijk uit het leven te halen’ zal dan niet altijd in goede aarde vallen. Het is belangrijk om begrip te tonen voor de emoties van de patiënt en geduldig te blijven als deze lange tijd nodig heeft om zijn ziekte te accepteren.

Wees erop bedacht dat de gevolgen van de ziekte voor de patiënt op zowel somatisch, psychisch als sociaal gebied kunnen liggen.

Als de problemen op één gebied zich op de voorgrond dringen, is de neiging groot om de andere terreinen over het hoofd te zien. Een open oog voor zowel somatische als psychische en sociale aspecten zal dit risico verkleinen.

Wees erop bedacht dat verwerking van verlies niet verloopt in een rechte lijn die bij acceptatie hoort uit te komen.

Verwerking van het verlies van gezondheid is een circulair proces van rouwen, dat wordt bepaald door veranderingen in het ziekteverloop of in persoonlijke omstandigheden. Steeds opnieuw – bij elke verslechtering van de symptomen of bij elke bezigheid die de patiënt niet meer kan verrichten door verergering van zijn ziekte – kan opnieuw een rouwproces ontstaan. Reacties in het rouwproces zijn bijvoorbeeld:

  • Ontkenning (‘Die meting kan nu wel aantonen dat ik diabetes heb, maar ik voel me helemaal niet slecht dus ik ga gewoon door met mijn leven zoals het was!’);
  • Onderhandeling (‘Maar als ik nou de hele dag niet rook, dan kan ik toch best ’s avonds een paar sigaretjes opsteken?’);
  • Boosheid (‘Ik heb verdorie mijn hele leven lang hartstikke gezond geleefd, niet gerookt, altijd gesport. En nou heb ík hartklachten terwijl mijn buurman – die rookt en drinkt als een ketter en die veel te dik is – nergens last van heeft!’);
  • Verzet (‘Jij kunt nou wel zeggen dat ik moet afvallen, maar daar heb ik helemaal geen zin in! Is het eigenlijk wel bewezen dat afvallen goed is voor mijn diabetes?’).

Dergelijke reacties kunnen voor jou lastig zijn, maar voor de patiënt zijn het nuttige verwerkingsfasen in het rouwproces.

Sta stil bij je eigen emoties en de invloed daarvan op je handelen.

Juist omdat je een langdurige relatie hebt met chronisch zieke patiënten en soms lange gesprekken met hen voert, kun je zelf ook emotioneel betrokken raken. Vaak zijn dat positieve gevoelens, zoals medeleven of sympathie. Soms ook gaat het om negatieve gevoelens, zoals irritatie als een patiënt je adviezen niet opvolgt, onmacht omdat je iemand niet kunt helpen, of je eigen angst voor de dood. Bovendien kan een patiënt je doen denken aan iemand vanuit je eigen omgeving. Als je bijvoorbeeld veel last hebt gehad van de cynische grappen van je schoonvader en een patiënt maakt soortgelijke opmerkingen, dan kun je de gevoelens over je schoonvader op de patiënt gaan projecteren. Wanneer je zicht hebt op de bron van je eigen emoties, kun je gemakkelijker bepalen of je deze ten opzichte van de patiënt wel zuiver hanteert. De patiënten kunnen het ten slotte niet helpen als ze op je schoonvader lijken of als jijzelf kampt met gevoelens van machteloosheid of frustratie.

Een goede relatie met chronisch zieken is een belangrijke voorwaarde voor de begeleiding die je hun kunt bieden.

Accepteer het niet te snel als het contact of de communicatie niet lekker ‘loopt’ of als jij en de patiënt elkaar niet ‘liggen’. Probeer eventuele problemen in het contact zorgvuldig aan de orde te stellen. Het zou je wel eens kunnen verrassen hoe gewoon patiënten dat vinden en hoe vaak ze zelf al over het probleem met hun omgeving hebben gesproken.

Probeer van tijd tot tijd na te gaan wat de patiënt van je verwacht.

Bij chronisch zieken sluipen er snel (van weerskanten) gewoonten en automatismen in het contact. Maar wat ooit duidelijk was, hoeft dat een tijdje later niet meer te zijn. Ga daarom af en toe eens na of je nog op het goede spoor zit met de patiënt, én vice versa.

Realiseer je dat iedereen anders is en dat eenzelfde ziekte volkomen verschillende reacties van patiënten kan opleveren.

Mensen zullen altijd verschillend op situaties blijven reageren, maar toch zijn er bij chronisch zieken ook wel overeenkomsten aan te wijzen. Ze weten bijna altijd heel veel van hun eigen aandoening en beseffen dat zij deze niet kunnen overwinnen. Maar waar de een zich als een normaal mens beschouwt met – lastig genoeg – een chronische ziekte, raakt de ander dusdanig geobsedeerd door de aandoening dat van een normaal leven niet veel meer terechtkomt. Het is goed je te realiseren dat de mate waarin mensen door hun ziekte worden belemmerd, niet alleen wordt bepaald door de ernst van de aandoening, maar ook door de persoonlijkheid, ideeën en omgeving van de patiënt. Pas als je weet wat een ziekte voor een individuele patiënt betekent, kun je goed op diens persoonlijke omstandigheden reageren.

Betrek de patiënt en diens naasten actief bij het proces.

Probeer aan te haken bij naasten en andere hulpverleners; ook zij – en natuurlijk de patiënt zelf – vinden vaak goede oplossingen voor allerhande problemen. Als het mogelijk is om patiënten en de mensen in hun omgeving ‘opdrachten’ te geven, is dat een effectieve manier om hen mee te laten denken over de beste strategieën en oplossingen. Dat vergroot de kans dat zij zich ook aan de gestelde doelen houden.

Je kunt niet alles oplossen, maar er ‘zijn’ en actief luisteren is ook iets doen.

Chronisch zieken beseffen heel goed dat de mogelijkheden beperkt zijn en dat jij ze echt niet kunt genezen. Een luisterend oor, erkenning van de klachten en de gevolgen daarvan, en de wetenschap dat jij er voor hen bent, is voor veel patiënten al heel belangrijk.

(Bohn Stafleu van Loghum, 2009)

2. Dementerenden.

Zorg en begeleiding bij dementie

Dementie heeft een grote invloed op het leven van mensen met dementie en hun nabije omgeving. Een persoon met dementie wordt naarmate het ziekteproces vordert steeds afhankelijker van zijn omgeving. Ook voor de mantelzorger is het proces ingrijpend. Hij krijgt te maken met een continu proces van verlies en veranderende zorgtaken.

Belevingsgerichte zorg

Door in te spelen op de ‘ik-beleving’ pas je de zorg aan op de behoeften van de persoon met dementie. De ik-beleving (hoe ervaart de cliënt zichzelf en de wereld om hem heen) is in de onderstaande fasen verwoord (C. van der Kooij, 2002). Bij iedere fase staat ook een casus ter illustratie van belevingsgerichte zorg. De casus kan gebruikt worden in het onderwijs, of ter bespreking in een teamoverleg om beter te leren omgaan met dementie.

Fase: het bedreigde ik

De cliënt wordt geconfronteerd met verlies van mogelijkheden als gevolg van cognitieve stoornissen (m.n. geheugen- en oriëntatiestoornissen).

Wat moet je doen?

Proberen het gevoel van angst en onveiligheid te verminderen. Daarnaast: beroep doen op vaardigheden die niet achteruit zijn gegaan, de cliënt informeren over de concrete werkelijkheid om hem heen (realiteitsoriëntatie).

Fase: het verdwaalde ik

De cliënt raakt steeds meer gedesoriënteerd en verdwaalt in de wereld en het eigen verleden.

Wat moet je doen?

Houvast bieden, de dagelijkse leefomgeving structureren. Verder: zoveel mogelijk aansluiten bij de interesses en behoeften van de cliënt.

Fase: het verborgen ik

De cliënt verdwijnt in de eigen innerlijke wereld en heeft geen tijdsbesef meer. Het contact met de omgeving gaat verloren.

Wat moet je doen?

Aanbod aansluiten op de directe zintuiglijke behoeften (warmte, rust, prettige sfeer) en beleving (warm/koud, honger/dorst, pijn) van de cliënt. Verder: rustige, prikkelarme leefomgeving creëren.

Fase: het verzonken ik

Het besef van zichzelf en de leefomgeving gaat helemaal verloren. Er is nauwelijks nog sprake van zichtbare emoties. De beleving van de dingen is grotendeel zintuiglijk. Communicatie is niet meer mogelijk.

Wat moet je doen?

Inspelen op de lichamelijke behoeften, lichamelijk contact maken (koesteren), praten (zacht, rustig – de woorden zijn niet belangrijk), prettige zintuiglijke prikkels aanbieden.

Werkmethodiek: Ondersteuning thuiszorg en dementie

Mede door inzet van medewerkers in de thuiszorg kunnen veel ouderen langer in hun eigen huis blijven wonen. Maar de groep mensen die thuis zorg nodig heeft, vraagt steeds meer van de medewerkers. Niet zelden lijden zij aan een vorm van dementie. De thuiszorgmedewerker ontmoet cliënten die hem niet direct begrijpen, op het eerste gezicht vreemde dingen doen en niet met logische argumenten te overtuigen zijn. Thuisbegeleidster Goanu Couperus van Thuiszorg Zuidwest Friesland coacht thuiszorgteams in het werken met deze cliënten en legde haar werkwijze vast. Andere thuiszorgorganisaties kunnen hier hun voordeel mee doen. De methodiek is afkomstig uit de

Fotoproject: dementie in beeld

De foto's op deze pagina brengen de verschillende fasen van dementie in beeld. De foto's roepen - op een beeldende manier - het gevoel op van hoe iemand met dementie zich voelt in de verschillende fasen van dementie. De foto's zijn gemaakt door Tamar Weenen.

Verschillende methodieken

Er zijn vele modellen om naar mensen met dementie te kijken en op basis daarvan zorg te verlenen. Belevingsgerichte zorg (zoals hierboven beschreven) is een bekende. Belangrijke andere modellen zijn:

Een zeer korte omschrijving van presentiebeoefening is de volgende:

Een praktijk waarbij de zorggever zich aandachtig en toegewijd op de ander betrekt, zo leert zien wat er bij die ander op het spel staat – van verlangens tot angst – en die in aansluiting dáárbij gaat begrijpen wat er in de desbetreffende situatie gedaan zou kunnen worden en wie h/zij daarbij voor de ander kan zijn. Wat gedaan kan worden, wordt dan ook gedaan. Een manier van doen, die slechts verwezenlijkt kan worden met gevoel voor subtiliteit, vakmanschap, met praktische wijsheid en liefdevolle trouw.

Hoewel deze manier van doen op het eerste gezicht misschien niet opzienbarend lijkt, is ze dat wel. Een korte toelichting kan dat verduidelijken.

Bijzonder is bijvoorbeeld de volgorde waarin het beschreven (hulpverlenende, zorggevende) handelen zich ontplooit: eerst wordt de betrekking op een specifieke, intense wijze aangegaan (aandachtig, toegewijd), dan pas (of: daardoor) kan blijken wie de hulpverlener voor de ander kan zijn en om welk verlangen of om welke nood het zal gaan en wat zorg behoeft. De relatie staat dus voorop, het probleemoplossende handelen is opgeschort en de identiteit van de hulp- of zorgverlener (‘wie kan ik voor jou zijn?’) staat niet vast maar vormt zich in een gedeeld leerproces. Dat wijkt af van wat we meestal zien: doorgaans staat tevoren reeds vast wie en wat de hulpverlener voor de ander moet zijn en waarom het zal draaien in de betrekking.

Overigens wordt een dergelijke verhouding gewoonlijk eerder langs de weg van screening, intake, diagnostiek, onderhandeling en contractering aangegaan dan dat deze uit aandachtigheid en trouw wordt gesticht.

Opmerkelijk in de omschrijving is verder dat er geen sprake is van een hulpvraag of een nood, maar dat er gesproken wordt van ‘wat er voor de ander op het spel staat’: dat is enerzijds een verwijzing naar de ratio van iemands leven (wat daarin zin heeft, past, bijdraagt aan ervaren baat of geluk). Die ratio kan zich slechts tonen als daartoe de ruimte wordt geboden en er geen al te grote beperkingen aan de waarneming of betrekking van buitenaf opgelegd worden – bijvoorbeeld door een verplicht gestelde methodiek, een politieke eis of een subsidiabel programma. De omschrijving van de presentie veronderstelt dus het uitstel of tijdelijk tussen haken zetten van dergelijke beperkingen. Anderzijds is ‘wat er voor de ander op het spel staat’ een verwijzing naar het geheel van dat leven en dus niet alleen naar het problematische of kapotte waarop de hulpverlener betrokken zou moeten zijn.

Voorts zegt de omschrijving dat presentie niet volstaat met het ‘in-relatie-staan’ maar doet wat er gedaan kan worden; dat doen wordt beschreven in zorg ethische termen. Dergelijke formuleringen nemen afstand van ‘..wat gedaan moet worden’. Hier zijn ‘zorg’ en ‘passendheid’ verbonden.
Ten slotte zij opgemerkt dat bij de (professionele) kwaliteiten vermeld wordt dat deze óók steunen op praktische wijsheid en op trouw die ‘liefdevol’ is. Dat is een verwijzing naar de continuïteit van de relatie en de wederkerigheid erin die in het teken staat van wat de ander deugd zal doen.

  • Validation.

Bij validation gaat het om het herkennen en bevestigen van de gevoelens van de dementerende. De verzorger verplaats zich in de belevingswereld van de persoon met dementie die gebaseerd is op herinneringen en verlangens. Een antwoord op de mededeling: "Ik wil naar mijn moeder!" kan dan zijn dat dit niet kan, maar vervolgens wordt er wel gepraat over de moeder. Het belangrijkste doel van validation is het behouden van het gevoel van eigenwaarde en het verminderen van spanning en onrust.

Snoezelen is een vorm van zintuigactivering voor mensen met dementie in een sfeervolle omgeving. Tijdens het snoezelen worden de zintuigen van de betrokkene selectief geprikkeld met behulp van verschillende middelen en materialen.
De hoofddoelstelling van het snoezelen is het welzijn van de betrokkene te bevorderen. Naarmate de dementie vordert gaat de persoon met dementie zich steeds verder terugtrekken in zijn eigen wereldje. Ze kunnen zelf steeds moeilijker contact maken met de buitenwereld en ook de buitenwereld heeft meer moeite om hen te bereiken. Maar de zintuigen en het gevoel zijn nog wel intact; dit zijn ook de vlakken waar snoezelen op inspeelt en waarmee contact wordt gemaakt. Een persoon met dementie in een later stadium functioneert op het sensomotorische niveau. Men kan hem bereiken in zijn innerlijke wereld via de zintuigen en lichamelijke aanrakingen.
Met verschillende materialen kunnen verschillende zintuigen gedoseerd gestimuleerd worden. De emoties die tijdens het snoezelen bij de betrokkene opkomen, laat men zo tot uiting komen. In een vergevorderd stadium van dementie, kan de betrokkene met dementie vaak zijn emoties en pijn niet meer uiten, snoezelen kan ervoor zorgen dat het wel lukt. Hierdoor kunnen angst en onrust sterk afnemen en kunnen betrokkenen beter ontspannen en tot rust komen. Er kan gebruikt worden gemaakt van allerlei materialen die prettig aanvoelen, er zijn hier ook veel materialen voor ontwikkeld. Alle zintuigen kunnen geprikkeld worden door middel van geuren, aanraking, muziek, warmte, smaken en licht. Het is belangrijk dat er niet teveel prikkels worden aangeboden en dat er goed wordt gelet op de reactie van de betrokkene. Het is erg afhankelijk van de persoon en de fase waarin deze verkeert, welke middelen en materialen het beste aansluiten bij de behoefte en wat de prettigste ervaring geeft.

PDL richt zich op cliënten met een grote of volledige zorgafhankelijkheid, en is gebaseerd op een biopsychosociaal model. Ze gaat uit van de wensen en beleving van de cliënt en heeft tot doel stabilisatie, het omgaan met beperkingen waarvoor geen herstel mogelijk is, en het maximaal gebruiken van restcapaciteit. Ze wordt verricht door professionele zorgverleners, met specifieke deskundigheid en vaardigheden, die gedeeltelijk of volledig de zelfzorgactiviteiten van het dagelijks leven overnemen van de cliënt.

PDL is geschikt voor mensen met een ernstige chronische aandoening. Deze kan somatisch zijn en kan psychogeriatrisch zijn, zoals dementie. PDL wordt ook gebruikt in de palliatieve zorg”

Bij de PDL-methode gaat het om:

· De toepassing van specifieke zorgvaardigheden van uit paramedische beroepen (met name vanuit de fysiotherapie, ergotherapie en logopedie) door de verzorgende of verplegende in de directe zorg.

· Een respectvolle belevingsgerichte bejegening van de cliënt met toepassing van haptonomische principes.

· Het reduceren van onrust, pijn en angstgevoelens tijdens de verzorging van de cliënt,

· Het toepassen van specifieke voorzieningen zoals dynamische lig- en zitmiddelen, ergonomische kleding en hoogwaardige transferapparatuur,

· Het voorkomen van contracturen en decubitus,

· Een multidisciplinaire aanpak van de passiviteitsproblematiek.

Wat kun je met PDL bereiken?

Ten aanzien van de effecten van PDL spreken de door Gea geciteerde uitspraken van zorgverleners die PDL met succes toepassen voor zich. In haar boek vermeldt zij onder andere de volgende uitspraken:

· Er zijn voor ons geen zware bewoners meer.

· Het heeft mijn gevoel voor zorg voorgoed veranderd.

· De bewoner laat mij toe in haar belevingswereld, dat is voor mij heel waardevol.

· Ik word er gelukkig van als de bewoner tevreden is en soms glimlacht.

· Ik ontmoet nu tijdens de verzorging regelmatig de mens achter de bewoner.

· Dan blijkt er toch met de ernstig demente bewoner een lijntje van contact mogelijk te zijn.

· Voorheen werd het verzorgen vaak een strijd.

· We hebben elkaars kennis nodig om nog beter te worden.

Voor wie is PDL?

De PDL-methode is van toepassing op alle mensen met ernstige (deel) passiviteitsproblemen die verpleegd en verzorgd worden in verpleeghuizen, zorgcentra, instellingen voor lichamelijk en/of verstandelijk gehandicapten en in de thuiszorg.

  • Psychomotorische therapie

Psychomotorische therapie wordt ook wel psychomotore therapie genoemd, en wordt vaak afgekort als PMT. Het is een methode binnen de lichaamsgerichte psychotherapie. In psychomotorische therapie is de cliënt samen met de therapeut bezig met het doen van lichamelijke activiteiten, oefeningen en opdrachten. Hierbij ligt de nadruk op het gebied van lichaamservaring en beweging. Hierbij is het doel van psychomotorische therapie het tot stand brengen van, of bijdragen aan, een gedragsverandering waardoor de psychische klacht van de cliënt verminderd of verdwijnt. Wanneer het verminderen van de ernst van de psychische klacht niet haalbaar is, leert psychomotorische therapie de cliënt om te gaan met de situatie en de klacht te accepteren.

Psychomotorische therapie (PMT) in praktijk

Door middel van beweging en lichaamservaring wordt het gedrag van de cliënt onderzocht, en worden er nieuwe ervaringen op het gebied van voelen en denken opgedaan door te experimenteren met ander gedrag. Als bewegingsoefeningen worden in psychomotorische therapie situaties uit de sport en het bewegingsonderwijs toegepast. Voorbeelden hiervan zijn zwemmen, balspelen of bewegen op muziek. Voor de oefening in lichaamservaring worden verschillende methoden toegepast, zoals ademhalingsoefeningen, ontspanningsoefeningen, en technieken uit bijvoorbeeld de sensory awareness en de bio-energetica. De psychomotorisch therapeut duidt daarbij de signalen die het lichaam van de cliënt afgeeft. Bewegingspatronen, lichaamstaal, ademhaling of lichaamshouding kunnen bijvoorbeeld wijzen op spanningen. Ook wordt er in psychomotorische therapie gelet op hoe de cliënt omgaat met de opdrachten, met zichzelf en met anderen.

Psychomotorische therapie wordt in groepsverband toegepast, maar bestaat ook als individuele therapie. De therapie is zowel geschikt voor kinderen als voor volwassenen en ouderen. PMT (psychomotore therapie) wordt veel toegepast binnen instituten, bijvoorbeeld bij revalidatie, geriatrie (ouderenzorg), verslavingszorg en in de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking. Ook wordt psychomotorische therapie toegepast binnen psychiatrische klinieken. Daarnaast zijn er vrijgevestigde, individueel werkende psychomotorisch therapeuten met een eigen praktijk.

Psychomotorische therapie, bewegingsagogiek en bewegingstherapie

De termen psychomotorische therapie, bewegingsagogiek en bewegingstherapie worden veelal door elkaar gebruikt. Er is echter wel degelijk verschil tussen een psychomotorisch therapeut en een bewegingsagoog of bewegingstherapeut. Een psychomotorisch therapeut heeft verder doorgestudeerd dan een bewegingstherapeut en bewegingsagoog. Bij bewegingstherapie en bewegingsagogie ligt het doel van de therapie vaak lager, de nadruk ligt daarbij vaak op onder andere succeservaringen en plezier beleving.

(Therapiehulp, 2006)

  • Reminiscentie

Reminiscentie bestaat uit het bewust ophalen van herinneringen. Door middel van bijvoorbeeld verschillende materialen, muziek en foto's worden herinneringen gestimuleerd bij betrokkenen en kunnen zij hierover vertellen. Door verhalen over zijn leven te vertellen, wordt de betrokkene met dementie zich weer bewust van wie hij is, van zijn ervaringen en zijn prestaties. Dit kan heel goed zijn voor het zelfvertrouwen en de eigenwaarde. Daarnaast kan het hele prettige herinneringen oproepen en daardoor een prettig gevoel. Het doet een beroep op wat ze wel nog weten en kunnen en op hun identiteit, dit doet ze meestal erg goed. De oriëntatie in het verleden kan ook houvast geven in het heden. Het kan in groepen plaatsvinden maar ook individueel. In groepen werkt het beste als betrokkenen nog niet in een heel ver stadium van de dementie zitten. Mensen vullen elkaar aan, stellen vragen, reageren op elkaar en versterken elkaars herinnering. Een familielid, medewerker of vrijwilliger kan er ook voor kiezen om met iemand individueel aan de slag te gaan. Het kan een heel positief effect hebben op de betrokkene en geeft aansprekende gespreksstof. Het is ook een heel goede manier voor zorgverleners om de betrokkene beter te leren kennen en om erachter te komen welke momenten belangrijk voor iemand zijn geweest, wat iemand prettig vond om te doen, welke dingen prettig zijn en welke pijnlijk. Het kan de onderlinge band en het vertrouwen versterken en de medewerkers kunnen dan beter aansluiten op de behoeften en wensen van de betrokkene en deze beter ondersteunen. Reminiscentie wordt nu vaak nog als specifieke activiteit ingepland; het is natuurlijker voor betrokkenen als gedurende de dag allerlei activiteiten gericht zijn op het prikkelen van de herinnering en bijvoorbeeld het stellen van op herinnering gerichte vragen.

(anders-zorgen, 2015)

  • Persoonsgerichte zorg.

Het belangrijkste uitgangspunt van persoonsgerichte zorg is dat mensen met dementie in de eerste plaats mens zijn. Persoonsgerichte zorg streeft ernaar om ervoor te zorgen dat iemand met dementie zich erkend, gerespecteerd en vertrouwd kan voelen. Het is van belang om mensen met dementie te bevestigen in hun mens-zijn, hun gevoelens en belevingen serieus te nemen, en te letten op hun mogelijkheden. Net als iedereen hebben mensen met dementie behoefte aan sociaal contact, liefde, warmte, bezigheden, zelfwaardering, en het gevoel erbij te horen. Het hebben van dementie verandert hier niets aan. De ziekte maakt wel dat zij zelf minder goed in staat zijn deze behoeften te vervullen; hiervoor hebben mensen met dementie hulp van de omgeving nodig.

Trimbos instituut doet onderzoek naar de resultaten van persoonsgerichte zorg en hoe die het beste geïmplementeerd kan worden. Uit onderzoek weten ze al dat persoonsgerichte zorg de volgende positieve effecten heeft:

- Minder psychofarmaca;

- Minder vrijheid beperkende maatregelen;

- Beter functioneren van bewoners;

- Hogere kwaliteit van leven voor bewoners;

- Meer tevredenheid onder familie;

- Meer betrokken professionals

(Trimbos-instituut, 2015)

3. Mensen met verstandelijke beperking.

Omgaan met mensen met een licht verstandelijke beperking

Veel mensen met een licht verstandelijke beperking die in aanraking komen met hulp- en dienstverlenende instanties worden onvoldoende her- of erkend. Een aantal krijgt daardoor niet de ondersteuning die gewenst is. Dit kan grote gevolgen hebben.

Deze folder is bedoeld voor zorgverleners, medewerkers bij politie en justitie, advocaten, gemeenteambtenaren, leerkrachten, consulenten, receptionisten en loketmedewerkers. Mensen met een licht verstandelijke beperking herken je niet meteen. Toch is de kans groot dat u hen aan uw loket of in uw spreekkamer treft. Immers, mensen met een verstandelijke beperking wonen steeds vaker zelfstandig en maken net als ieder ander gebruik van maatschappelijke diensten en voorzieningen.

Ze zijn uw buren, leerlingen, collega’s, patiënten of cliënten.

Het niet herkennen van de beperking, zorgt soms voor communicatie- of gedragsproblemen. Daarom krijgt MEE steeds vaker het verzoek om informatie te geven over het signaleren van en omgaan met deze groep kwetsbare mensen. In deze folder geven we tips voor herkenning, communicatie en gedrag.

Wat is een verstandelijke beperking?

Iemand met een licht verstandelijke beperking denkt anders en minder snel dan normaal begaafde mensen en kan zich niet of niet goed aanpassen aan de eisen van zijn omgeving. Dat uit zich bijvoorbeeld op het gebied van communicatie, zelfredzaamheid, sociale vaardigheden, gezondheid en relaties. Mensen met een verstandelijke beperking hebben bovendien vaker motorische of zintuiglijke stoornissen, epilepsie, psychische of gedragsproblemen.

Het belang van herkenning

Een licht verstandelijke beperking herken je niet direct. De meeste mensen met een licht verstandelijke beperking kunnen zich redelijk goed uitdrukken en ook aan hun uiterlijk valt niets bijzonders te zien. Daarbij zijn ze vaak goed in het verbergen van hun beperking.

Waarom is herkenning wel belangrijk? Als mensen met een licht verstandelijke beperking moeten opboksen tegen te hoge verwachtingen en eisen van de omgeving, veroorzaakt dat stress of problemen in communicatie en gedrag. Zoals onbegrip, niet nakomen van afspraken, onjuist ingevulde formulieren of een woedeaanval. Dit is meestal geen kwestie van onwil, maar van onvermogen.

U kunt helpen door rekening te houden met zijn of haar niveau en op de juiste manier -met begrip en respect- te reageren waardoor het contact soepeler verloopt.

Kenmerken van iemand met een licht verstandelijke beperking

Verschillende signalen kunnen wijzen op een licht verstandelijke beperking.

Iemand met een licht verstandelijke beperking…

  • Beschikt veelal over een concreet denk- en leerniveau, gericht op het heden;
  • Heeft speciaal onderwijs gevolgd, kan vaak van school gewisseld zijn of heeft de school niet afgemaakt;
  • Ontkent soms dat er sprake is van de beperking met zelfoverschatting tot gevolg;
  • Kan de beperking overschreeuwen door bravouregedrag, nonchalance of het vertellen van fantasieverhalen;
  • Heeft een beperkte sociale redzaamheid. Hij of zij kan moeite hebben met het onderscheid maken in goede en slechte mensen (met als gevolg dat er soms mensen in de omgeving zijn die hier misbruik van maken);
  • Stelt vaak maar beperkt grenzen waardoor hij of zij gemakkelijk beïnvloedbaar is en bijvoorbeeld sneller in het criminele circuit verstrikt raakt;
  • Heeft vaak een beperkt inlevingsvermogen;
  • Overziet vaak de consequenties van handelen niet en vindt het moeilijk om naar eigen handelen te kijken;
  • Kan niet precies aangeven wanneer iets is gebeurd of afgesproken;
  • Valt in herhaling over emotionele zaken die er in deze setting niet toe doen;
  • Gebruikt moeilijke woorden op een verkeerde manier/in de verkeerde context of spreekt ze verkeerd uit;
  • Begrijpt een grapje niet of neemt een uitdrukking letterlijk;
  • Vermijdt het lezen van brieven/ het invullen van formulieren of begrijpt de inhoud niet;
  • Praat vaak in korte of hakkelende zinnen;
  • Schrijft met veel taalfouten;
  • Heeft moeite met eenvoudige rekensommetjes of met het wisselen van geld;
  • Kan niet of niet goed klokkijken.

Tips voor het herkennen van een licht verstandelijke beperking

Hoe kun je nu het beste nagaan of er sprake is van een licht verstandelijke beperking?

Onderstaande tips kunnen een handig hulpmiddel hierbij zijn:

- Ga na of de betrokkene kan lezen en schrijven door hem of haar zelf iets te laten schrijven en/of een stukje voor te lezen (let daarbij in het bijzonder op het tempo).

- Ga na of de betrokkene kan klokkijken en plannen.

- Vraag welke opleiding gevolgd is, of een diploma gehaald is en vraag naar de naam van de school.

- Vraag in de tijd terug (de betrokkenen kan vaak geen chronologische volgorde aanbrengen in zijn of haar verhaal).

- Vraag hoe iets is gebeurd (verbanden leggen vinden zij soms moeilijk).

- Vraag hoe hij of zij iets organiseert. Bijvoorbeeld de dagindeling of het plannen van afspraken.

- Neem geen genoegen met een kort antwoord maar vraag door… De betrokkene heeft soms moeite met abstracte vragen.

Reageren op iemand met een licht verstandelijke beperking

Communicatie

Hou het eenvoudig en wees duidelijk en concreet, dat is de hoofdregel als u een gesprek voert met iemand die een verstandelijke beperking heeft. Dus: korte zinnen, geen moeilijke woorden (zoals ‘Uw sociaal netwerk…’) en geen beeldspraak (Als u zegt: ‘MEE kan u uit de brand helpen.’, dan kan hij of zij dit misschien letterlijk opvatten en denken dat MEE de brandweer is.). Geef ook maar één opdracht of boodschap tegelijk. Als er iets te kiezen valt, beperk de keuze dan tot twee of drie mogelijkheden. Goed luisteren, doorvragen en geregeld samenvatten is ook belangrijk. Gun de ander tijd om vragen te stellen en uw vragen te beantwoorden. Controleer aan het einde van het gesprek of de boodschap goed is overgekomen. Dat kunt u doen door de betrokkene de boodschap in zijn of haar eigen woorden te laten herhalen. Zoek samen naar een manier om afspraken goed vast te leggen. Vraag: ‘Wat is voor jou handig?’ of ‘Wat zullen we afspreken?’. Laat er niet te veel tijd tussen zitten anders vergeet hij of zij de afspraak.

Gedrag

Benader de ander respectvol, gelijkwaardig en neem de tijd. Geduld, de ander serieus nemen, consequent en duidelijk zijn, op uw houding en stemgebruik letten en steeds uitleggen wat u doet, maken al een behoorlijk verschil. Hulp aanbieden, bijvoorbeeld meegaan naar de rechtbank of op doktersbezoek, werkt ook vaak prima. Als u merkt dat deze tips geen uitkomst bieden, vraag de persoon in kwestie dan of hij of zij iemand kent die mee kan komen of mee kan helpen. En ten slotte: spreek iemand gewoon aan op gedrag dat ergernis of overlast veroorzaakt. Geef daarbij tips hoe iemand zich anders kan gedragen.

(MEE Utrecht, 2015)


4. Psychiatrische Cliënten.

Psychiatrische ziektebeelden

Psychiatrische ziekten zijn stoornissen op het gebied van denken, emoties en gedrag. Men gedraagt zich anders omdat de wereld om hen heen anders wordt waargenomen, begrepen en ervaren. Een goed begrip van deze stoornissen gaat verder dan het (her)kennen van de gedragskenmerken. Als je mensen met een stoornis daadwerkelijk wilt verstaan en ondersteunen, is het van belang hun kijk op de wereld te begrijpen.

Andere manier van denken
Mensen met bijvoorbeeld een autistische stoornis hebben een andere manier van denken. Daarnaast (en daardoor) is er vaak sprake van afwijkend gedrag. Dit kan voor de omgeving weleens lastig zijn en vraagt om een aangepaste benadering. Een autist heeft sterke behoefte aan duidelijkheid en voorspelbaarheid.

Mensen met stoornissen zijn er altijd geweest. De laatste jaren krijgt het onderwerp veel meer aandacht. Dit heeft onder meer te maken met een andere manier van denken en handelen, die steeds minder goed past bij onze moderne manier van leven. Volwassenen maar ook kinderen hebben een drukke agenda. Een kind moet naar school en wordt verondersteld vriendschappen te onderhouden en daarnaast hobby’s te hebben.

Mensen komen hierdoor steeds vaker in situaties waarmee ze vanwege hun stoornis niet goed overweg kunnen. Daardoor vallen meer en meer mensen buiten de boot. Het is daarom van groot belang dat de stoornis zo snel mogelijk wordt herkend en behandeld. Professionele begeleiding is daarbij onontbeerlijk.

Begrip helpt
Ouders van kinderen met psychische stoornissen lopen vaak tegen problemen aan. Vaak blijkt dat de traditionele manier van opvoeden niet optimaal werkt. Het kind heeft, om tot ontplooiing te komen, meestal andere regels en regelmaat nodig. Vaak kunnen deze kinderen niet, net zoals hun leeftijdsgenootjes, leren door met anderen om te gaan, naar hen te kijken en gedrag te kopiëren. Het gevolg is dat deze kinderen thuis, in de buurt, op clubjes en op school niet goed kunnen meedraaien. Ook volwassenen ondervinden problemen in de omgang met anderen. Ze merken dat de omgeving lang niet altijd passend voor hen is. Om zo goed mogelijk ondersteuning te kunnen bieden, is het belangrijk dat de omgeving op de hoogte is van ‘het hoe en wat’ van de stoornis. Om iemand te kunnen helpen, is het noodzakelijk dat zijn of haar manier van denken zo goed mogelijk wordt begrepen.

Professionele ondersteuning noodzakelijk
Het is belangrijk dat de omgeving van de persoon in kwestie wordt aangepast aan diens behoeften. Daardoor is een fijn en rustig leven mogelijk.

Persoonlijk dagprogramma
Uiteraard moet er in elk geval aandacht geschonken worden aan de achterliggende oorzaken van het gedrag. Vaak heeft het te maken met onduidelijkheid en onvoorspelbaarheid. Het opstellen van (en het vervolgens zich houden aan) een dagprogramma, geeft de meeste mensen veel duidelijkheid en vooral rust. In zo’n persoonlijk dagprogramma staat duidelijk, in de juiste volgorde beschreven, wat (en op welk moment) er die dag iets gebeurt. Dat verschilt per persoon en hoe specifiek het moet zijn, is in elke situatie anders. De begeleiding heeft de kennis en ervaring om die structuur in een leven aan te brengen.

Onder psychiatrische stoornissen wordt ook het volgende verstaan:

1. ADHD.

Tips omgaan met ADHD

  • Zorg voor een duidelijke dagindeling, vaste regels en vaste plaatsen voor dingen in huis.
  • Geef eenvoudige, korte opdrachten en regels.
  • Geef complimenten voor goed gedrag. Stimuleer leuke eigenschappen.
  • Als de ADHD'er ergens helemaal in opgaat, zoals een spannend computerspel, denk dan niet ‘hij kan het dus best, als hij maar wil...'. Dat is niet waar.
  • Neem voldoende tijd voor uzelf, uw partner, uw andere kinderen en uw vrienden.
  • Zoek meer informatie over ADHD, in bibliotheek, boekhandel of op internet.
  • Zoek tijdig hulp.
  • Zoek zelf steun als het u teveel wordt.

(Fonds Psychische Gezondheid, 2015)

2. Autisme.

Vormen van autisme

Binnen ASS zijn drie typen te onderscheiden, namelijk:

Syndroom van Asperger
Iemand met het syndroom van Asperger heeft veelal dezelfde klachten als iemand met autisme, zoals moeite om echt contact te maken met anderen en opvallende beperkte interesses en activiteiten. Het verschil met autisme is de sterke taalontwikkeling. Wel kan iemand met Asperger op een aparte, wat plechtige manier spreken. Vaak kunnen er problemen ontstaan met subtiele communicatie en lichaamstaal.

PDD-NOS
PDD-NOS is de afkorting voor Pervasive Development Disorder Not Otherwhise Specified. Met andere woorden: pervasieve ontwikkelingsstoornis, niet nader omschreven. Er wordt vaak gezegd dat iemand met PDD-NOS een lichte vorm van autisme heeft, dit betekent overigens niet minder ernstig. Veel mensen met PDD-NOS zijn extreem gevoelig voor ‘prikkels' uit de omgeving. Ze kunnen last hebben van achtergrondgeluiden die andere mensen niet horen. Voor deze mensen is het moeilijk om normaal om te gaan met leeftijdsgenoten. Ze sluiten moeilijker vriendschappen en vinden het bovendien lastig om hun dagelijks leven en vrije tijd in te vullen.

McDD
McDD is de afkorting van Multiple-complex Development Disorder. Met andere woorden: meervoudig complexe ontwikkelingsstoornis. Mensen met McDD hebben de problemen die ook bij PDD-NOS horen. Daarnaast hebben ze moeite om hun emotie (bijvoorbeeld woede) onder controle te houden. Daardoor zijn ze extreem angstig. Sommige mensen met McDD kunnen werkelijkheid en een fantasie niet goed meer uit elkaar houden.

Tips betrokkenen autisme

Er zijn geen twee mensen met autisme gelijk. Maar allemaal beleven ze de wereld anders dan u. Misschien gedragen ze zich hierdoor op een manier die u niet gewend bent. Dat kan misverstanden opleveren en voor onzekerheid zorgen bij de persoon met autisme én bij u.

Tips:

  • Bedenk dat mensen met autisme de sociale regels vaak niet begrijpen.
  • Word niet boos als een kind met autisme u niet vriendelijk begroet met een lach of een hand. Of vraag zelf om een kopje koffie als u dat niet krijgt wanneer u op visite komt.
  • Bedenk dat iemand met autisme niet onbeleefd wil zijn als hij of zij u niet aankijkt.
  • Verwacht geen reacties op uw emoties. Verwacht bijvoorbeeld bij verdriet geen arm om uw schouder. Of bij goed nieuws veel blijdschap.
  • Verwacht geen reactie op uw non-verbale communicatie zoals een boze gezichts­uitdrukking of gebaren. Als u wilt dat iemand reageert op wat u zegt, vraag er dan specifiek om (‘luister naar wat ik vertel'). Benoem altijd letterlijk wat u wilt of voelt.
  • Leg altijd uit wat u wilt gaan doen. En vraag daarna of hij u goed heeft begrepen voordat u iets doet.
  • Schreeuw niet of praat niet met een harde stem. Mensen met autisme kunnen hier heftiger van schrikken dan anderen.
  • Raak iemand met autisme niet aan als dat niet nodig is. De meesten worden niet graag aangeraakt.
  • Bedenk dat veel mensen met autisme zich niet express ‘anders' gedragen. Hij of zij kan er ook niets aan doen.
  • Stel eenvoudige vragen. Bijvoorbeeld: Een moeder moet haar zoon en een klasgenoot met autisme naar voetbaltraining brengen. Ze zegt niet: ‘Ga je mee?' Maar ze zegt: ‘Je moet naar voetbaltraining. Ik breng je vandaag met de auto naar de club. We vertrekken over vijf minuten, dus trek je jas aan. Je vriendje Jasper gaat mee'.
  • Gebruik geen taal met een dubbele betekenis. Het woord ‘vliegangst' kan hij of zij opvatten als ‘bang zijn voor een vlieg'.
  • Geef hem extra tijd om uw informatie op te nemen.
  • Vraag altijd of hij u begrepen heeft.
  • Gebruik zoveel mogelijk schema's, agenda's, bewegwijzering en geschreven instructies om iets duidelijk te maken.
  • Vertel of vraag één ding tegelijk.
  • Vermijd sarcasme. Een opmerking als ‘prachtig' als iets juist lelijk is, is voor hem onduidelijk.
  • Vermijd onoverzichtelijke en onvoorspelbare situaties. Bijvoorbeeld:

- Lange rijen wachtende mensen, zoals bij een kassa.

- Veel mensen bij elkaar, zoals op een markt of braderie.

- Lawaaiige omgeving, zoals een zwembad, pretpark of festival.

(GGZ Friesland, 2015)

3. Borderline/ persoonlijkheidsstoornissen.

Sterk emotioneel en onvoorspelbaar gedrag

Antisociale persoonlijkheidsstoornis (ASPS)

Vanaf jonge leeftijd leren we dat bepaalde dingen niet mogen. Onze ouders proberen structuur aan te brengen in ons leven en proberen ons bepaalde normen en waarden mee te geven. Maar soms gaat dit mis of lukt het ouders om bepaalde redenen niet deze taak te volbrengen. Het kan dan zijn dat u een antisociale persoonlijkheidsstoornis ontwikkelt.

Door het gebrek aan sturing en grenzen, kan het zijn dat u al vanaf jonge leeftijd weinig respect kunt opbrengen voor anderen. Vanaf de puberteit begint er een patroon van roekeloos en impulsief gedrag te ontstaan, waarbij u gemakkelijk over de grenzen van anderen heen kunt gaan. U vindt het moeilijk u te houden aan de wet en maatschappelijke normen. Liegen gaat u redelijk gemakkelijk af en u hebt de neiging uw gedrag goed te praten. U leeft van dag tot dag en heeft waarschijnlijk geen plan voor de toekomst. Door uw roekeloze gedrag kunt u in aanraking met politie en justitie komen, maar dit hoeft niet altijd zo te zijn. U houdt weinig rekening met de veiligheid van anderen en ook om uw eigen veiligheid bekommert u zich niet. Voor de buitenwereld kunt u soms kil en vijandig overkomen.

Het negatieve gedrag dat u vertoont, kan veroorzaakt worden door biologische factoren. Veelal heeft het echter te maken met de manier waarop u bent opgevoed. Als u in een onverschillig, kil en agressief klimaat bent grootgebracht, heeft dit gevolgen voor uw persoonlijke ontwikkeling. Ook kan er sprake zijn geweest van een gebrek aan begeleiding en sturing door uw opvoeders. Of u stond sterk in de schaduw van een broer of zus die niets fout kon doen. Daarnaast kunnen traumatische ervaringen, zoals verlating, misbruik of mishandeling een rol spelen.

Borderline persoonlijkheidsstoornis (BPS)

Iedereen ervaart gevoelens als blijheid, boosheid en somberheid. Maar bij sommige mensen kan de stemming erg snel wisselen. Het ene moment kunt u zo gelukkig zijn dat u fluitend over straat loopt en het volgende ogenblik bent u zo boos dat u uw vuist wel tegen de muur wilt slaan. Het kan moeilijk zijn om te gaan met deze heftige wisselingen. Al die gevoelens waarmee u worstelt, kunnen voortvloeien uit een borderline persoonlijkheidsstoornis.

Voor de buitenwereld wordt uw onevenwichtige gedrag zichtbaar doordat u te emotioneel, heftig of driftig kunt reageren. U doet vaak pogingen om te voorkomen dat u niet in de steek wordt gelaten. Uw angst voor verlating kan reëel zijn, maar het kan ook zijn dat dit slechts uw verbeelding is. Door uw tekort aan zelfvertrouwen kunt u zichzelf schade berokkenen, bijvoorbeeld door risico's te nemen op het gebied van seks, drugsmisbruik, eetbuien of roekeloos gedrag. Het beeld dat u van uzelf en van anderen hebt kan snel wisselen. Ook kunt u last hebben van suïcidale neigingen, wat zich kan uiten in het dreigen met zelfdoding of u zelf snijden.

Uw stemmingswisselingen worden veelal veroorzaakt door een combinatie van factoren. Biologische factoren, zoals een stoornis in de serotine huishouding, kunnen een rol spelen. Daarnaast is er vaak sprake van ingrijpende ervaringen in de jeugd; emotionele verwaarlozing, een instabiele gezinssituatie, mishandeling of misbruik kunnen uw negatieve gedrag verklaren. Als ook nog vrienden, uw werk of andere stabiele factoren wegvallen, kan dit de kans op een borderline stoornis versterken.

Theatrale persoonlijkheidsstoornis (TPS)

Sommige mensen vinden het vreselijk om in de schijnwerpers te staan. Anderen vinden het juist heerlijk om de aandacht te trekken. Soms zelfs zodanig dat ze die aandacht voortdurend proberen vast te houden. Er wordt van alles uit de kast getrokken om in de belangstelling te blijven staan. Is het alleen een extraverte persoonlijkheid of heeft u de schijnwerpers echt nodig om gevoelens van onderwaardering en onzekerheid te onderdrukken? Dan kan het zijn dat u een theatrale persoonlijkheidsstoornis heeft.

U staat graag in het middelpunt van de belangstelling en bent voortdurend op zoek naar aandacht van uw omgeving. U kunt hevige emotionele uitbarstingen hebben. Door uw vrienden en familie wordt u vaak omschreven als sociaal, uitbundig, enthousiast, overdreven en flirterig. Relaties aangaan en behouden vindt u moeilijk. Vooral het tonen van intimiteit vindt u niet gemakkelijk. Opvallend is dat u uw vriendschapsrelaties vaak diepgaander ervaart dan ze in werkelijkheid zijn. U heeft moeite om uw aandacht ergens op te vestigen en vast te houden. Het gevolg is dat u zich altijd op de oppervlakte houdt, zowel qua gespreksstof als in uw manier van praten. Omdat u de hele tijd aandacht verlangt, besteedt u veel tijd aan uw uiterlijk en status. Nare herinneringen, depressieve gevoelens en onzekerheden stopt u weg door u te richten op de aandacht en complimentjes die u ontvangt van buitenaf.

Uw ‘theatrale' gedrag kan veroorzaakt worden door biologische factoren. Veelal heeft het echter te maken met de manier waarop u bent opgevoed. Misschien had u een theatrale ouder als voorbeeldfiguur of had u veel concurrentie met broertjes en zusjes om de aandacht van de ouders. Ook onregelmatige bevestiging in uw vroege jeugd door verschillende personen kan een rol spelen. Of u ontving weinig kritiek of straf of kreeg onvoorspelbare reacties op uw gedrag terug van uw ouders. Ook kan het zijn dat men de aandacht richtte op uw aantrekkelijke eigenschappen en dat u daarvan vervolgens afhankelijk werd.

Narcistische persoonlijkheidsstoornis (NPS)

Sommige mensen proberen bijzonder te zijn en zich te onderscheiden met hun talenten. Of ze proberen zich te onderscheiden met uiterlijkheden; bijvoorbeeld alleen de duurste gadgets, auto of vakantiebestemming zijn goed genoeg. Ze willen succesvol zijn en bewonderd worden. Een zekere mate van zelfingenomenheid en ijdelheid is gezond en kan tot maatschappelijk succes leiden. Een overdosis hiervan gaat echter ten koste van het geluksgevoel. Heeft u eigenlijk een sterk wisselend of laag zelfgevoel en probeert u dit te compenseren door bewondering van anderen? Dan kan het zijn dat u een narcistische persoonlijkheidsstoornis heeft.

Narcisme is een term waarmee een bepaalde mate van zelfwaardering of zelfliefde wordt aangeduid. In principe is zelfwaardering niet verkeerd. Het punt waarop gezonde zelfliefde overgaat in ongezonde zelfliefde is moeilijk aan te duiden en is ook afhankelijk van de situatie en de levensfase. Er zijn twee types narcisme te onderscheiden: de 'openlijke narcist' of de 'geremde narcist'. Bij de eerste vorm is de persoon zeer ingenomen met de eigen prestaties. Fortuin en roem zijn voor u belangrijk. U meent dat iedereen u bewondert en jaloers op u is. U vindt het moeilijk u in te leven in anderen en kunt snel boos worden als het niet gaat zoals u dat wilt. Een geremde narcist richt zijn aandacht voortdurend op anderen en wil uit alle macht kritiek voorkomen. U bent verlegen, schaamt zich snel en voelt u snel gekwetst. U kijkt veel naar hoe anderen zich gedragen. De meeste mensen met deze narcistische stoornis zitten tussen deze uiterste typen in.

De narcistische persoonlijkheidsstoornis wordt vermoedelijk veroorzaakt door een samenspel van psychologische, biologische en omgevingsfactoren. Tijdens de puberteit treden de eerste problemen op. De kern van het probleem is een te lage zelfwaardering, waardoor de honger naar waardering van anderen niet te stillen is.

Tips voor betrokkenen persoonlijkheidsstoornis:

- Maak duidelijke afspraken over het contact met de persoon met borderline. Geef daarbij duidelijk uw grenzen aan, vooral wat betreft woede-uitbarstingen, zelfbeschadiging en dreiging met zelfdoding.

- Geef duidelijk aan waarvoor en wanneer de persoon wel en niet bij u terecht kan.

- Pas op dat u niet in de rol van hulpverlener kruipt.

- Geef geen adviezen of tips. Begrip, sympathie en steun zijn het belangrijkst.

- Neem voldoende tijd voor uzelf, uw hobby’s en vrienden. Dan hebt u een grotere kans dat de relatie met de persoon in kwestie goed blijft.

- Houd u aan de gemaakte afspraken en aan uw grenzen. Dat maakt u betrouwbaar.

- Maak samen met de persoon in kwestie en de behandelaar een noodplan voor crisissituaties en leg daarin vast wanneer er sprake is van een crisis en hoe dan te handelen.

- Zoek meer informatie over borderline, in bibliotheek, boekhandel of op internet.

- Zoek zelf steun als het u teveel wordt.

(GGZ Friesland, Sterk emotioneel en onvoorspelbaar gedrag, 2015)

(Fonds psychische gezondheid, Bordeline Brochure, 2015)

4. Schizofrenie

Van schizofrenie is sprake als iemand een langdurige psychose of meerdere psychosen heeft doorgemaakt en in de tussenliggende periodes niet goed functioneert. Een psychose is een toestand waarbij iemands contact met de werkelijkheid ernstig verstoord is. Iemand ziet bijvoorbeeld beelden of hoort stemmen die er voor anderen niet zijn. Of iemand is ervan overtuigd dat hij wordt achtervolgd. Mensen in een psychose leven in hun eigen werkelijkheid.

Tips voor de omgeving:

· Waarschuw de persoon in een vroeg stadium als u signalen ziet van een nieuwe psychose en stimuleer hem of haar hulp te zoeken.

· Probeer in een psychose de wanen en hallucinaties niet weg te praten. Voor de betrokkene zijn deze de werkelijkheid. Probeer erachter te komen wat de persoon voelt en denkt.

· Geef in het contact uw gevoelens en grenzen aan. Wees eerlijk en duidelijk.

· Help de omgeving rustig en stabiel te houden, maar pas op voor overbezorgdheid en betutteling.

· Neem ook tijd voor uzelf, uw vrienden en hobby’s.

· Zoek meer informatie over schizofrenie, in bibliotheek, boekhandel of op internet.

· Zoek zelf steun als het u teveel wordt.

(Fonds psychische gezondheid, Schitzofrenie, 2010)

5. Manisch-depressief

Manisch-depressieve stoornis

De manisch-depressieve stoornis is een stemmingsstoornis die bij ongeveer twee procent van de bevolking voorkomt. Soms wordt deze stoornis ook wel bipolaire stoornis genoemd, vanwege het ‘tweepolige' karakter ervan. Met de stemming kan het beide kanten op, de depressieve maar ook de manische kant. Bij een depressie staat een sombere of vlakke stemming voorop. Bij een manie is de stemming juist overdreven vrolijk (eufoor) of prikkelbaar. Een hypomanie is een lichte vorm van een manie waarbij wel de verschijnselen van een manie aanwezig zijn, maar waar de problemen die erdoor ontstaan minder groot zijn.

Het belang van de juiste diagnose

De manische of hypomane periodes worden niet altijd goed herkend. De diagnose manisch-depressieve stoornis wordt hierdoor bij vele patiënten pas na jaren gesteld. De behandeling van de stoornis is anders dan die van een gewone depressie en de gevolgen van een verkeerde diagnose kunnen ernstig zijn. Zo kan een behandeling met een antidepressivum averechts werken. Daarom vinden we het van groot belang dat de manisch-depressieve stoornis tijdig wordt herkend.

Screening met de Maniecheck app

De diagnose manisch-depressieve stoornis is lang niet altijd gemakkelijk te stellen. Het is aan te bevelen hiervoor een psychiater in te schakelen die zich heeft gespecialiseerd in dit ziektebeeld.

U kunt zelf wel testen of een onderzoek naar de aanwezigheid van een manisch depressieve stoornis plaats zou moeten vinden. Download hiervoor onze gratis app ManieCheck voor iPhone en Android. Deze app is gebaseerd op een veelgebruikte screeningsvragenlijst voor manisch depressiviteit, de MDQ-NL: de Manic Depressive Questionnaire, in het Nederlands vertaald door Postma en Schulte (Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 2008).

Tips voor betrokkenen:

· Neem de somberheid serieus en probeer deze niet ‘weg te praten’.

· Probeer uw partner, familielid of vriend(in) niet op te vrolijken. Dat werk averechts.

· Geef geen adviezen of tips, maar bied een luisterend oor en toon begrip.

· Toon betrokkenheid en belangstelling. Ga langs of bel op. Dat helpt, ook al is de reactie misschien niet meteen positief.

· Ga samen iets simpels doen, bijvoorbeeld wandelen of winkelen.

· Bied hulp bij huishoudelijke klussen, zoals schoonmaken of de was. Misschien heeft uw partner, familielid of vriend(in) daar zelf geen energie voor.

· Maak duidelijk dat hij of zij altijd op u kan rekenen. Weet u niet wat u moet zeggen of doen? Zeg dit dan tegen hem of haar.

· Zoek informatie over depressie, op internet in de boekhandel of de bibliotheek

· Bewaak uw eigen grenzen en maak tijd voor uw eigen vrienden en hobby’s.

· Zoek steun als het u te zwaar wordt. Bijvoorbeeld in de vorm van lotgenotencontact via een patiëntenvereniging.

· Schakel tijdig hulp in; de persoon in kwestie zal dat zelf namelijk niet snel doen.

· Vertel in het contact met de huisarts en andere hulpverleners zo goed mogelijk hoe de persoon normaal gesproken is.

· Zoek meer informatie over de manisch-depressieve stoornis in bibliotheek, boekhandel of op internet.

· Waarschuw de persoon in een vroeg stadium wanneer er weer een manische of depressieve periode dreigt aan te komen. Maak met de persoon zelf en met de behandelaar afspraken over hoe te handelen in een dergelijke situatie.

(GGZ Friesland, Manisch-depressieve stoornis, 2015)

(Fonds psychische gezondheid, 2010)

(Fonds psychische gezondheid, Depressie, 2015)

(Directzorg, 2015)

5. Verslaafden.

Tips omgaan met gebruik van een ander

Wat kun je doen als je partner, vriend, vriendin, ouder of familielid problematisch gebruikt of verslaafd is? Op deze pagina’s vind je tips waarvan in de praktijk is gebleken, dat mensen er wat aan hebben.

In de knel
Verslaafden willen niet over hun verslaving en de gevolgen spreken. Zij nemen vaak geen of onvoldoende verantwoordelijkheid voor de gevolgen die hun verslaving voor andere mensen of henzelf heeft.

Vaak moet alles wijken voor de verslaafde drinker/gebruiker. Daardoor komen mensen in de directe omgeving van de verslaafde in de knel. De verslaafde bepaalt en beperkt hun leven. De vrijheid en de ruimte van partners, kinderen en vrienden om hun eigen leven te leiden, wordt steeds kleiner. Mensen in de omgeving van een drinker/gebruiker zoeken steeds aanpassingen en oplossingen voor dagelijkse problemen die met de verslaving te maken hebben.

Gezinsleden proberen vaak om de verslaving geheim te houden. Familieleden en partners maken excuses bij anderen of beschermen de verslaafde tegen de gevolgen van het gebruik. Men ontvangt thuis steeds minder mensen of gaat minder uit of naar feestjes. Men vereenzaamt, raakt overbelast en zoekt geen steun.

Aanpassen
Mensen proberen dagelijkse oplossingen te vinden waarbij ze zich steeds meer aanpassen. De druk die de verslaafde uitoefent om alles maar zo te laten, is groot. Als je toegeeft aan die druk, zal je als partner, kind, vriend, familielid blijven inleveren.

De verslaafde ontkent, bagatelliseert of ontwijkt het gesprek over de verslaving en de consequenties daarvan voor anderen en zichzelf. Of hij/zij zegt er machteloos tegenover te staan.

Herken je dit?
Kortom, gezins- en familieleden, partners en vrienden staan onder druk om te zwijgen over de verslaving en de consequenties die dat voor ieder heeft. Het is begrijpelijk, dat men aan die druk toegeeft, want spanningen, ruzies en conflicten leiden vaak tot een toename van het drinken/het gebruik met alle consequenties die daarbij horen. Het toedekken van het probleem betekent wel, dat men in de omgeving van de verslaafde blijft inleveren.

Als je dit herkent, is het goed je af te vragen wat je kunt doen om zelf beter overeind te blijven en de belangen van jezelf of andere gezinsleden te beschermen.

Los niet de nadelen van de verslaving op
Mensen komen pas in beweging als zij met de nadelen van hun gebruik worden geconfronteerd. Als jij alles accepteert of oplost, maakt dat het voor de verslaafde gemakkelijker om het gebruik voort te zetten. Wij zeggen hiermee niet dat de verslaafde in de goot moet komen en dat jij alles spaak moet laten lopen. Dat kan consequenties hebben die je onaanvaardbaar vindt.

We bedoelen hiermee wel dat je niet automatisch alle nadelen van het gebruik moet oplossen. Als de gebruiker door jouw constante oplossen van nadelen van het gebruik niet op de blaren hoeft te zitten, voelt hij/zij ook geen pijn en is er weinig reden om te veranderen.

Kiezen

  • Wat kan ik doen om de drinker/gebruiker te doen minderen of te doen stoppen?
  • Wat kan ik doen om mijzelf staande te houden?
  • Wat kan ik doen om de belangen van mijzelf of andere gezinsleden te beschermen?

Het antwoord op die vragen kan mensen voor een dilemma plaatsen. Als het behartigen van de eigen belangen leidt tot het minderen of stoppen van het gebruik, is het dilemma opgelost. Bijvoorbeeld: als het driegen met een echtscheiding tot het gewenste stoppen met drinken leidt.

Vaak leidt het antwoord op de beide vragen echter tot een tegenstelling. Men staat dan voor een keuze. Bijvoorbeeld: het dreigen met een echtscheiding kan leiden tot een toename van spanningen waarin een verslaafde weer een reden ziet om meer te gebruiken/drinken.

Grenzen
De omgeving heeft vaak weinig mogelijkheden om het gedrag van de verslaafde te bepalen. Men kan echter wel grenzen stellen aan de mate waarin men het eigen leven wil laten bepalen door een persoon die verslaafd is of problematisch gebruikt. Dat betekent niet dat er geen emotionele pijn of verlies is. Het betekent wel, dat men controle over het eigen leven (of bijvoorbeeld de veiligheid in het gezin) terug wil nemen.

(Drugsinfoteam, 2011)

Gesprek aangaan

Waarom het gesprek aangaan?

Om het patroon van omgaan met een gebruiker/drinker te doorbreken, is een goed gesprek nodig.

Probeer er op het juiste tijdstip over te beginnen
Het beste tijdstip om over iemands gebruik te beginnen, is kort nadat er door dat gebruik weer een duidelijk probleem is ontstaan, zoals een ruzie of een ongeluk(je). Kies wel een tijdstip waarop hij/zij niet onder invloed is, jullie beiden kalm zijn en de kans hebben om er onder vier ogen over te praten.

Wees duidelijk
Vertel dat je je grote zorgen maakt over het gedrag. Gebruik duidelijke voorbeelden van de problemen die zijn ontstaan, vooral de recente. Heb het vooral over de concreet merkbare gedragsmatige gevolgen van het gebruik en niet zo zeer over het gebruik zelf. Bijvoorbeeld: “dat jij ons kind vergeet op te halen van school omdat je teveel blowt, kan ik niet accepteren”. En niet: “Je moet niet zoveel blowen”. De eerste zin is concreet en goed benoembaar.

Welles-nietes

Vaak raakt men verstrikt in nutteloze welles – nietes-discussies of er is gebruikt/gedronken. Of hoeveel er is gebruikt. Dit soort discussies levert meestal niets op. De drinker/gebruiker ontkent of stelt het gebruik als minder voor dan in werkelijkheid het geval is. Men drinkt/gebruikt vaak stiekem. De omvang en frequentie zijn vaak niet bekend. De negatieve gevolgen van het gebruik zijn wel bekend. Het is belangrijk om de gebruiker te confronteren met de concrete, negatieve gevolgen.

Toon begrip
Zeg ook dat je snapt dat dit een moeilijke situatie is. Dat stoppen of minderen niet eenvoudig is en dat je samen met hem/haar wilt gaan kijken naar de hulpmogelijkheden. Achter gebruik zitten zich vaak heftige emoties als angst, onzekerheid, eenzaamheid, verdriet of onmacht. Zomaar stoppen of minderen is heel eng voor iemand die gebruikt of drinkt om om te kunnen gaan met een van deze emoties. Begrip, rust en aangeboden hulp zijn belangrijk. Anders is de stap te groot.

Verwacht geen wonderen na het eerste gesprek
De kans dat de gebruiker/drinker na zo’n gesprek direct hulp zoekt, is klein. Iemand heeft tijd nodig om over zo’n grote verandering na te denken. De onzekerheid over wat er gebeurt als iemand stopt, is groot. Lukt het wel? Wat als hij/zij de anderen teleurstelt? Geef iemand die tijd om na het gesprek na te denken en kom erop terug. Vraag dan of hij/zij nog heeft nagedacht en wat je nog kunt doen.

Informatie inwinnen
Als de stap naar hulpverlening nog te groot is, kun je samen achter de computer gaan zitten en eens kijken wat er allemaal aan hulpverlening bestaat. Er zijn online programma’s (www.alcoholondercontrole.nl, www.cannabisondercontrole.nl, www.drugsondercontrole.nl) maar ook zelfhulpgroepen (AA, NA) en instellingen voor verslavingszorg met sites waar goed beschreven staat welke hulpvormen zij bieden.

Je kunt ook voorstellen samen naar de huisarts te gaan voor een informatief gesprek. Wat raadt de huisarts aan en wat voelt goed voor de drinker/gebruiker? Neem zo kleine stapjes, dat is minder bedreigend.

(Drugsinfoteam, 2011)

Grenzen aangeven

Bepaal je grenzen en bescherm je eigen belangen
Het komt veel voor dat mensen die met een verslaafde samenleven of bevriend zijn, steeds meer van zichzelf gaan inleveren. Ze laten hun leven steeds meer door de verslaving sturen. Bij het willen helpen van die persoon cijferen ze zichzelf weg en gaan ze steeds meer accepteren.

Bedenk wat jouw grenzen zijn en wat je nog aantrekkelijk in de relatie vindt.

Leg uit wat jijzelf van plan bent
Leg uit wat je van plan bent te doen als hij/zij geen hulp zoekt. Zeg dat je dat niet doet om te straffen, maar om jezelf te beschermen tegen de gevolgen van zijn/haar verslaving. Wat je van plan bent, kan dan variëren. Roep echter geen dingen die je toch niet kunt of wilt uitvoeren.

Geen constante strijd
Constante strijd over onacceptabel gedrag is zinloos. Zoek het evenwicht tussen grenzen stellen aan gedrag enerzijds en het vermijden van constante strijd anderzijds. Het helpt niet om constant te gaan drammen of om een enorme druk uit te oefenen. Dat roept extra verzet en ontkenning op. Als je constant strijdt over het gebruik of de gevolgen daarvan, raak je zelf uitgeput. Stel prioriteiten en maak ruimte voor ontspanning en een goede sfeer als dat nog kan.

Maak je grenzen duidelijk, ook voor jezelf
Weet wat je echt niet accepteert, doe jezelf geen geweld aan. Verslavingsproblemen duren vaak geruime tijd. Vaak zelfs jaren. Het is daarom nodig om zuinig op jezelf te zijn en grenzen aan te geven. Het feit dat je een grens stelt en een consequentie/sanctie daaraan verbindt, betekent nog niet dat je je zin krijgt. Maar het stellen van grenzen is een voorwaarde om je eigen belangen (of die van andere gezinsleden) te beschermen. Als je geen grenzen stelt en alles laat gebeuren, lever je in en word je een speelbal van de verslaafde persoon.

Wat zijn ‘goede’ grenzen?

  • Grenzen moeten bij je passen. Wat de ene persoon accepteert, is voor een ander niet aanvaardbaar. Mensen kunnen daarom maar beter grenzen stellen die bij ze passen. De ene ouder zal zeggen dat het kind niet thuis mag blowen, terwijl een ander zal zeggen dat het blowen uitsluitend thuis mag. De een accepteert drank of drugs helemaal niet, terwijl de ander minderen of gematigd gebruik aanvaardbaar vindt.
  • Als ouders gezamenlijk een kind opvoeden, werkt het beter als men het erover eens is welke grenzen worden gesteld. In veel gevallen leidt dat tot een compromis.
  • Stel reële grenzen met reële consequenties/sancties.
  • Grenzen zijn tijdelijk en uitvoerbaar: wordt geen gevangene van door jou gestelde grenzen.
  • Let op je rode lijnen. Iedereen heeft grenzen die je niet kunt laten passeren zonder dat je zelf echt schade oploopt. Die rode lijnen/grenzen kunnen voor mensen verschillen zijn. Maar voor bijna iedereen geldt dat geweld, diefstal, intimidatie te schadelijk zijn om te kunnen accepteren.

(Drugsinfoteam,2011)

Valkuilen

Je bent niet schuldig of verantwoordelijk

Veel mensen voelen zich schuldig of verantwoordelijk voor het gebruik van een verslaafde partner/gezinslid/zoon of dochter. Dat schuldgevoel is onterecht.

Veel gebruikers/verslaafden nemen geen of onvoldoende verantwoordelijkheid voor hun gedrag. Zij zeggen dat zij er niets aan kunnen doen en dat het gebruik niet hun verantwoordelijkheid is. Allerlei redenen worden aangevoerd om het gebruik te verklaren:

  • Onoplosbare persoonlijke problemen
  • Relatieproblemen (scheiding, slechte relatie met een ouder)
  • Problemen op het werk
  • Problemen met de gezondheid
  • Acties van andere mensen
  • Verslaving

Het komt ook voor dat men zegt, dat men niet kan veranderen OMDAT men verslaafd is. De persoon met een verslaving wil daarmee zeggen: "ik kan er niets aan doen" of "ik kan het niet veranderen". Veel mensen in de omgeving van de verslaafden accepteren dit soort verklaringen van/excuses voor gebruik en vinden vaak dat zij zelf ook een oorzaak zijn van het verslaafde gebruik.

Iemand anders draagt niet de verantwoordelijkheid voor het gebruik van de verslaafde. Niemand giet bij een ander de drank door de keel. Niemand stopt de snuif coke in de neus van de cokegebruiker. Niemand rookt een paar dagelijkse grammen wiet voor een ander.

Onjuiste gedachten: voorbeelden

Ouders

  • "Als wij het eerder hadden gezien, hadden wij het kunnen tegenhouden."
  • "Als wij niet zo streng /soepel waren geweest was het niet zo uit de hand gelopen."
  • "Als wij eerder waren gescheiden, had hij niet zo veel narigheid meegemaakt."
  • Of: "Als wij niet waren gescheiden, had hij het niet zo moeilijk gehad."

Deze redeneringen kloppen niet: het is de wereld op zijn kop. De drinker/gebruiker belast de omgeving met de gevolgen van het gebruik. Bijna volwassen mensen zijn verantwoordelijk voor hun gedrag, ook als zij gedronken of gebruikt hebben.

Het idee dat ouders een verslaving kunnen voorkomen of stoppen, klopt niet. Men kan een kind door de opvoeding proberen te beïnvloeden, maar daar blijft het bij. De invloed van opvoeding is belangrijk, maar uiteindelijk bepaalt een opgroeiend kind zelf hoe hij/zij het leven gaat inrichten.

Ouders krijgen minder invloed naarmate het kind ouder wordt. Natuurlijk kan een scheiding traumatisch zijn. Het kan de draaglast van een opgroeiende persoon verhogen. Als een kind onverantwoordelijke gedrag goed praat met het verwijt dat de ouders zijn gescheiden of fouten in de opvoeding hebben gemaakt, dan neemt het niet de verantwoordelijkheid die behoort bij het volwassen worden. Er is altijd wel een reden te verzinnen waarmee je een ander de schuld voor je verslaving kunt geven.

Partners

  • "Als ik niet zo had gezeurd over zijn gebruik, dan was hij nu niet zo gespannen en geïrriteerd geweest. Hij drinkt omdat ik hem boos heb gemaakt".
  • "Als ik eerder een grens had gesteld, dan had hij niet zo lang door kunnen gaan. Het is mijn schuld dat ik het zo ver heb laten komen."
  • "Dat ik klappen heb gekregen, is mijn eigen schuld. Ik weet dat ik mijn mond moet houden als hij heeft gedronken".

Kinderen
De verslaving van een ouder heeft een grote invloed op de emoties, gedachten en ontwikkeling van een kind. Die invloed kan tot in de volwassenheid doorwerken. Kijk eens op de website www.drankjewel.nl. Op die site vind je informatie over de gevolgen voor de kinderen van de verslaving van hun ouders. Kinderen zijn nooit verantwoordelijk voor het verslaafde gedrag van een ouder, ook al denkt het kind dat het wel zo is.

Maak concrete gevolgen van overmatig drinken duidelijk

  • Vaak raakt men verstrikt in nutteloze welles - nietes discussies of er al dan niet is gebruikt/gedronken. Of hoeveel er is gebruikt. Dit soort discussies levert meestal niets op. De drinker/gebruiker ontkent of stelt het gebruik als minder voor dan in werkelijkheid het geval is. Men drinkt / gebruikt vaak stiekem. De omvang en frequentie van het gebruik zijn vaak niet bekend. De negatieve gevolgen van het gebruik zijn wel bekend. En om die gevolgen gaat het. Het is belangrijk om de gebruiker te confronteren met de concrete, negatieve gevolgen van het overmatig drinken/overmatig gebruik.
  • Een discussie met iemand onder invloed is zinloos
    "Discussier niet met mensen onder invloed". Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan, vooral als iemand vaak onder invloed is. Discussies met mensen onder invloed leiden echter nooit tot inzicht of gedragsverandering maar meestal wel tot escalatie of onverschilligheid.
  • Je kunt in de loop van de tijd van mening veranderen of je hebben vergist toen je de grens stelde. Situaties veranderen ook. En met het veranderen van de situatie veranderen de grenzen. Je stelt de grenzen om zelf staande te blijven of om je belangen te beschermen. Vervang grenzen als ze niet meer positief voor je zijn.
  • Grenzen of dreigementen zonder consequenties zijn schadelijk voor jezelf.
  • Let op je rode lijnen. Iedereen heeft grenzen die je niet kunt laten passeren zonder dat je zelf echt schade oploopt. Die rode lijnen/grenzen kunnen voor mensen verschillen zijn. Maar voor bijna iedereen geldt dat geweld, diefstal, intimidatie te schadelijk zijn om te kunnen accepteren.

(Drugsinfoteam, 2011)

Hulp

Oriënteer je op hulpverlening

Bekijk welke hulpverleningsmogelijkheden zijn. Je kunt dit ook met je huisarts bespreken. Als hij/zij bereid is om hulp te zoeken, kun je aanbieden om mee te gaan op het eerste gesprek. Het kan soms helpen om iemand op die manier over de drempel heen te helpen.

Zoek ook zelf ondersteuning, eventueel bij de verslavingszorg
Bespreek je situatie met mensen die voor jou belangrijk zijn. Maak er geen geheim van. Dat voorkomt dat je vereenzaamt en dat je voor je zelf hulp en steun afhoudt. Bij de instelling van verslavingszorg is ook hulp voor mensen in de omgeving van een gebruiker/verslaafde. Gesprekken, voorlichtingen of workshops of trainingen kunnen veel toevoegen. Daarnaast kan het prettig te zijn andere mensen te spreken die in dezelfde situatie verkeren.

Zoek informatie over alcohol, drugs, verslaving

Als je informatie hebt over alcohol, drugs, middelen en verslaving, dan heb je meer begrip van de situatie waarin je verkeert.

KOPP/KVO: kinderen van verslaafde ouders
Kinderen met ouders met verslavingsproblemen kunnen terecht in een groep waarin gepraat en gespeeld wordt. Kinderen merken dat ze niet alleen zijn, dat ook andere kinderen in zo’n situatie zitten. Er wordt gepraat, geluisterd en ook zeker gelachen. Het is een veilige plek waar kinderen kunnen en durven vertellen wat ze ergens anders niet kwijt willen. Er is steeds meer vraag naar deze zogeheten KOPP/KVO-groepen: Kinderen van Ouders met Psychische Problemen en Kinderen van Verslaafde Ouders.

(Drugsinfoteam,2011)

Gamen.

Tips voor een goed gesprek

Een goed gesprek kan de eerste stap zijn richting een oplossing.
Vier nuttige tips:

Tip 1: kies een goed moment

Begin niet over het gamen en de problemen die jij ervaart, op een moment dat je heel erg boos bent. Of als de ander aan het gamen is. Hij zal op dat moment waarschijnlijk toch niet echt luisteren, laat staan een serieus gesprek willen voeren.

Tip 2: vraag naar de voordelen van het gamen

Gamen heeft ook voordelen, anders zouden mensen het niet doen. Maar jij ziet alleen maar nadelen en misschien wil je er daarom geen goed woord over horen. Toch is het goed om hier ook naar te vragen. 'Wat brengt het je? Wat levert het gamen je op?’ Het praten over de voordelen, kan de spanning uit het gesprek halen. En het kan helpen om ook over de nadelen te bespreken. Vraag dus ook: ‘Zitten er voor jou ook nadelen aan het gamen? Welke zijn dat?’ Vaak komt de gamer zelf wel met iets. Dan heb je een aanknopingspunt om ook te praten over wat het gamen voor jou en jouw leven betekent.

Tip 3: wees duidelijk en concreet over waar jij last van hebt

Zeg niet: ‘Ik vind het niet goed dat je zoveel gamet. Dat leidt maar al te gemakkelijk tot discussies over wat ‘veel’ is. Of tot vergelijkingen met anderen die nog meer gamen. Maak het concreet: ‘Je wilt nooit meer iets doen samen omdat je liever wilt gamen, en dat vind ik vervelend’.

Tip 4: gebruik geen loze dreigementen

Je hoeft een dreigement maar een keer niet waar te maken of je wordt niet meer serieus genomen. Dreigen gebeurt vaak in een opwelling van woede, verdriet of machteloosheid. Begrijpelijk, maar het werkt niet. Het is beter om iets te bedenken wat je wel kunt uitvoeren. Bijvoorbeeld: ‘Als ik langskom en je gaat gamen, ga ik weer weg’.

Tips voor ouders

Het is belangrijk om te praten met je kind over gamen, maar hoe doe je dat?

Houd contact met je kind

Praten met je kind over de zorgen die je hebt is moeilijk als je geen goed contact hebt met elkaar. Zorg ervoor dat gesprekken die jullie samen hebben niet altijd over moeilijke onderwerpen gaan. Praat over allerlei zaken die belangrijk voor hem zijn, toon belangstelling voor grote en kleine gebeurtenissen in zijn leven. Wanneer je kinderen ouder worden en minder vaak thuis zijn: weet wat ze bezighoudt, wie hun vrienden zijn en wat ze doen.
Zorg ervoor dat je kind je in vertrouwen durft te nemen als hij in de problemen is gekomen. Ook als deze voortkomen uit onhandige keuzes of omdat hij zich niet aan afspraken heeft gehouden.

Informeer jezelf

Zoek naar informatie over gamen. Dat kun je ook samen met je kind doen. Als je goed geïnformeerd bent, kun je beter aangeven waarom je bepaalde grenzen stelt.

  • Verdiep je in de spellen die je kind speelt
    Op YouTube kun je trailers van spellen vinden. Zo krijg je een idee over hoe een spel eruit ziet. De geschiktheid van een game kan gecheckt worden met behulp van het Pan-European Game Information (PEGI) classificatiesysteem. Hierbij wordt met logo’s aangegeven dat games voor jongere kinderen een risico kunnen vormen en of schadelijke gedragingen, zoals geweld en grof taalgebruik, voorkomen.
  • Informeer jezelf over gamen
    Weet wat de risico’s en effecten van gamen kunnen zijn. Je kind is ook een belangrijke bron van informatie. Hij kan je vertellen wat hij zo leuk vindt aan gamen. Ook kan hij je meer vertellen over het spel dat hij speelt.
  • Een goede houding
    Als je kind veel tijd doorbrengt met gamen is het belangrijk dat hij daarbij in de juiste houding zit. Hier vind je een filmpje met informatie over dit onderwerp.

Houd het onderwerp bespreekbaar

Een onderwerp is bespreekbaar als jij en je kind het gevoel hebben dat jullie vrij kunnen zeggen wat je wilt. En zonder dat er altijd per se consequentie of straf op de loer ligt. Dat is gemakkelijker wanneer je dat ook al doet over andere onderwerpen en op het moment dat gamen geen problemen oplevert.
Bespreekbaar maken wil niet zeggen dat je het onderwerp te pas en te onpas aan moet snijden. Maar negeer het niet als er een aanleiding voor is.

Stel grenzen

  • Zeker bij jonge kinderen is het belangrijk om duidelijke grenzen aan te geven. Maar ook als ze ouder zijn hebben kinderen behoefte aan grenzen. Kijk of je samen tot afspraken kunt komen. Als een kind heeft meegedacht over een afspraak, zal hij zich er waarschijnlijk beter aan houden. Afspraken kunnen gaan over hoe lang je kind mag gamen, hoe vaak, op welke tijdstippen en welke games hij mag spelen.
  • Het overschrijden van grenzen hoort er nu eenmaal bij; kinderen proberen uit hoever ze kunnen gaan. Juist dan is duidelijkheid van jouw kant belangrijk.
  • Bespreek met andere ouders welke regels zij hanteren over gamen. Dit hoeven niet jouw regels te zijn, maar je kunt er wel rekening mee houden in de afspraken die je maakt met je kind.
  • Door veel gamen kun je ook lichamelijke klachten krijgen. Je kunt samen met je kind kijken naar hoe hij de risico’s kan beperken bijvoorbeeld door te zorgen voor een goede houding tijdens het spelen en een balans tussen zitten en voldoende bewegen.
  • Sta niet toe dat je kind door het gamen afspraken negeert of zijn beloften niet nakomt. Bijvoorbeeld afspraken over taken in huis, de tijd waarop hij thuis komt en het meedoen met dingen die jullie als gezin samen doen.
  • Heeft je kind al zijn geld aan games uitgegeven en raakt hij in geldnood? Geef hem dan geen extra geld. Hij moet leren dat hij zijn geld maar een keer uit kan geven. Op die manier leert hij wat verantwoord omgaan met geld is.

Beloon positief gedrag

Zeker als niet alles soepel verloopt ben je als ouder soms geneigd om te focussen op wat niet goed gaat. Je vergeet dan de dingen die wel goed gaan te benoemen, en die zijn er altijd (aan afspraken houden, goede inzet op school, helpen van anderen in het gezin of daarbuiten).

Wees je bewust van je voorbeeldfunctie

Kinderen kopiëren. Wat ze jou als ouder zien doen vinden ze normaal. Geef daarom het goede voorbeeld: zit zelf ook niet de hele dag achter de computer en kijk niet voortdurend op je telefoon. Zeker niet tijdens het eten of tijdens sociale activiteiten.

Praten met je kind over problematisch gamen

Je kind weet misschien helemaal niet dat gamen ook tot problemen kan leiden. Hij ziet gamen misschien alleen als iets leuks en onschuldigs. Gelukkig is het dat in de meeste gevallen ook. Probeer je kind uit te leggen dat veel en vaak gamen kan gaan lijken op een verslaving. Zeker als het leidt tot bijvoorbeeld problemen op school of met vriendschappen buiten de games. En dat het belangrijk is om het zover niet te laten komen. Bedenk samen waar hij op kan letten en hoe hij kan voorkomen dat het gamen uit de hand loopt.

  • Bekijk ook de tipsheets van het Nederlands Jeugd Instituut. Behalve praktische tips vind je hier ook tips voor boeken en folders.
  • Het Belgische Kenniscentrum Mediawijs heeft een gids uitgebracht met tips en informatie voor ouders of opvoeders.

(Trimbos instituut, 2015)

6 . Methodisch begeleiden

Methodiek onderdelen in de begeleiding

Triangulatie
Triangulatie betekent dat je een punt bekijkt uit verschillende perspectieven. Je gebruikt verschillende manieren om gegevens te verzamelen. Je gaat bijvoorbeeld eerst een situatie observeren waarbij je de nodige data verzamelt. Vervolgens ga je in gesprek met de mensen die je net hebt geobserveerd om te kijken of de gevonden gegevens volgens hen kloppen.

Kritische reflectie
Een kritische reflectie is het verslag van een kritische en systematische analyse van de keuzes die er gemaakt worden ten aanzien van methodisch begeleiden. Vanuit meerdere invalshoeken wordt gekeken hoe er invulling kan worden gegeven aan begeleiding van cliënten.

Discours / wederkerige adequaatheid
Gesproken / geschreven taal, tekst en de interpretatie ervan. Ik had nog nooit van deze term gehoord en door het lezen van het bijgevoegde bestand is het voor mij wat duidelijker geworden.
Ik verwijs jullie graag naar bijgevoegd pdf bestand.

Normatieve professionaliteit
Normatieve professionalisering gaat uit van de vooronderstelling dat elk professioneel handelen, behalve technische en communicatieve kwaliteiten, ook een morele kant heeft. Bij professioneel handelen spelen altijd ook normen en waarden een rol. Je moet er niet alleen voor zorgen dingen goed te doen, je moet er ook op letten de goede dingen te doen. Om je als professional te ontwikkelen is het dan ook van belang die morele kant goed in de gaten te houden. Dat betekent dat je steeds kritisch moet kijken naar wat je met je handelen teweegbrengt, of het goed is wat je doet en hoe het de volgende keer misschien beter zou kunnen.

Ook als het gaat over de beroepshouding speelt normatieve professionalisering een rol. Want in de beroepshouding wordt de morele gevoeligheid van de professional zichtbaar en laat hij zien vanuit welke normen en waarden hij zorg verleent. Bij uitstek gebeurt dat in de zorgrelatie. 'Hoe kan ik doen wat goed is voor de ander (en voor mijzelf, zodat ik optimaal kan blijven functioneren)?'
Om te doen wat goed is voor de ander is het nodig dat de professional zijn eigen normen en waarden en die van de ander durft bevragen. Ook moet hij bereid zijn om kritisch te kijken naar de normen en waarden van de (bureaucratische, organisatorische of economische) omgeving waarin hij de ander aantreft. (Wat doe ik als ik zie dat de zorgvrager moeite heeft met sommige 'regels van het huis'?)

Voor alle duidelijkheid: doorgaans wordt met relatie de zorgrelatie bedoeld, maar dat hoeft niet. Het kan ook over andere beroepsmatige relaties gaan, zoals die met collega's. Ook daar geldt het belang van voortdurende reflectie op het eigen functioneren en op de normen en waarden die in het geding zijn.

Handelingsplannen
Plannen voor leerlingen die extra individuele begeleiding nodig hebben. De school geeft aan volgens welke criteria zij bepaalt welke leerlingen in aanmerking komen voor en IHP.

Sociale kaart
Sociale kaart is de aanduiding voor een verzameling van hulpverleningsinstanties. Daarbij moet men bij het woord kaart in de eerste plaats denken aan de geografische kaart, d.w.z de hulpverleningsmogelijkheden in een bepaalde regio. Die hulpverleningsmogelijkheden worden vaak in almanakken of adreswijzers ondergebracht. Een sociale kaart geeft een overzicht van de instellingen en organisaties op het gebied van bijvoorbeeld welzijn, gezondheidszorg, (sociale) voorzieningen. Een sociale kaart geeft aan voor wie die instellingen bedoeld zijn (de doelgroepen) en beschrijft de werkwijze (activiteiten, doelstelling).

Warme zorg

Warme zorg heeft niet genezing of herstel als doel, maar staat de beleving van de oudere mens centraal bij deze benadering. Het doel van warme zorg is een sfeer te scheppen waarin gedesoriënteerde oude mensen zich veilig voelen waardoor angsten en onzekerheden verminderen of verdwijnen.

Geschikt voor demente oude mensen met procesverschijnselen die variëren van licht tot zeer ernstig. Dit betekent dat 'warme zorg' toepasbaar is bij elke vorm van dementie.

Met betrekking tot de inhoud van de methodiek bestaan een aantal aandachtspunten:

- Nabijheid.

De hulpverlener blijft niet op afstand en staat open voor lichamelijk contact zoals een knuffel.

- Herkenbaarheid.

De omgeving van de dementerende dient vertrouwd en rustgevend te zijn: geen ziekenhuis, maar huiskamer omgeving.

- Huislijkheid.

Weinig regels. Zoveel mogelijk huiselijke dagindeling zoals gezamenlijk ontbijt, huisdier, wandeling en dergelijke.

- Vrijheid.

Voor mobiele bewoners is het van belang dat ze vrijheid ervaren door te kunnen rondlopen.

- Familie.

Contact met familie is erg belangrijk.Alle ruimte voor contact tussen dementerende en familie en er zijn geen vaste bezoektijden.

Rationeel Emotieve Therapie

RET

Doel: mensen ondersteunen om beter om te kunnen gaan met situaties die aanleiding kunnen zijn voor STRESS.

RET geeft inzicht in niet-effectieve gedachten die aan spanningen en STRESS ten grondslag liggen.

Bij de RET methode wordt onderscheid gemaakt tussen waarneming, interpretatie en evaluatie.

Evaluaties spelen een cruciale rol bij het ontstaan van emoties.

Bij RET ligt de nadruk op waardering of de evaluatie die mensen hebben van dingen die hen overkomen.

begeleiden en opvoeden vanuit specifieke ontwikkeldoelen: NLD, ADHD, ASS, dyslexie en andere leer en ontwikkelingsstoornissen, gedefinieerd vanuit de DSM

DSM-5: Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (vijfde versie, mei 2013)

Een Amerikaans handboek dat in de meeste landen als standaard in de psychiatrische diagnostiek dient.

NLD: Non-verbal Learning Disabilities

De benadering moet gericht zijn op de volgende twee basisprincipes:

  1. Realistische houding
    Tegenover het kind een realistische houding aannemen, een open oog hebben voor zijn onvermogen en er rekening mee houden.
  2. Inzicht in sterke en zwakke kanten
    Een goed inzicht ontwikkelen in de sterke en zwakke kanten van het kind. Gebruik maken van zijn sterke kanten (goede verbale vaardigheden) om de ontwikkeling van de zwakke kanten te stimuleren.

ADHD: Attention Deficit Hyperactivity Disorder

Samenwerking met ouders is erg belangrijk: de aanpak op school en thuis moeten op elkaar afgestemd zijn. De begeleider moet veel geduld hebben. Straffen leidt tot het voor zijn omgeving afsluiten van het kind. Het gedrag wordt dan nog erger waardoor de kans bestaat dat het kind in een negatieve spiraal terecht komt. Belangrijk dus om een dergelijk patroon te voorkomen.

ASS: Autisme Spectrum Stoornis

Dyslexie: betekent letterlijk: niet kunnen lezen.

Een hardnekkig probleem met het aanleren en het accuraat en/of vlot toepassen van het lezen en/of spellen op woordniveau.

De begeleiding is er in verschillende manieren. Voor iedere vorm van onderwijs bestaan er protocollen voor de wijze waarop een school de begeleiding van kinderen met Dyslexie uit voert.

Protocol MBO:

drie aandachtsgebieden te onderscheiden:

· zorgspecifieke pijler;

· taalspecifieke pijler;

· mbo-specifieke pijler.

Protocol VO:

Vier uitgangspunten zijn noodzakelijk om deze doelen te bereiken:

• de leerling staat centraal;

• de ondersteuning vereist een geïntegreerde aanpak;

• de ondersteuning vindt plaats gedurende de hele schoolloopbaan;

• de ondersteuning gaat uit van wat werkt bij de leerling en wat een zo groot mogelijk effect heeft (economisch principe)

Bibliografie

Anders-zorgen. (2015). onderzoeken:: ondersteunende activiteiten:: reminiscentie. Opgehaald van moderne-dementiezorg: http://www.moderne-dementiezorg.nl/onderzoeksrubriek.php?id=16

Directzorg. (2015). Psychiatrische ziektebeelden. Opgehaald van Directzorg: http://www.directzorg.nl/psychiatrische-ziektebeelden

Drugsinfoteam. (2011). Gesprek aangaan. Opgehaald van drugsinfoteam.nl: http://drugsinfoteam.nl/tips-hulp/omgaan-met-gebruik-van-anderen/gesprek/

Drugsinfoteam. (2011). Grenzen aangeven. Opgehaald van Drugsinfoteam: http://drugsinfoteam.nl/tips-hulp/omgaan-met-gebruik-van-anderen/grenzen/

Drugsinfoteam. (2011). Hulp. Opgehaald van Drugsinfoteam: http://drugsinfoteam.nl/tips-hulp/omgaan-met-gebruik-van-anderen/hulp-alcohol-drugs/

Drugsinfoteam. (2011). Tips omgaan met gebruik van een ander. Opgehaald van Drugsinfoteam: http://drugsinfoteam.nl/tips-hulp/omgaan-met-gebruik-van-anderen/tips-advies/

Drugsinfoteam. (2011). Valkuilen. Opgehaald van Drugsinfoteam: http://drugsinfoteam.nl/tips-hulp/omgaan-met-gebruik-van-anderen/valkuilen/

Friesland, G. (2015). Manisch-depressieve stoornis. Opgehaald van GGZ Friesland: https://www.ggzfriesland.nl/manisch-depressieve-stoornis-1

Friesland, G. (2015). Sterk emotioneel en onvoorspelbaar gedrag. Opgehaald van GGZ Friesland: https://www.ggzfriesland.nl/sterk-emotioneel-en-onvoorspelbaar-gedrag

Friesland, G. (2015). Wat is autisme (ass). Opgehaald van GGZ Friesland: https://www.ggzfriesland.nl/wat-is-autisme-ass

gezondheid, F. p. (2010). Brochures . Opgehaald van Fonds psychische gezondheid: http://www.psychischegezondheid.nl/brochure-manisch-depressieve-stoornis

gezondheid, F. p. (2010, december). Schitzofrenie. Opgehaald van Fonds psychische gezondheid: http://www.psychischegezondheid.nl/action/psychowijzer/38/schizofrenie.html#Allesweten

gezondheid, F. p. (2015). Bordeline Brochure. Opgehaald van Fonds psychische gezondheid: http://www.psychischegezondheid.nl/borderlinebrochure

gezondheid, F. p. (2015). Depressie. Opgehaald van Fonds psychische gezondheid: http://www.psychischegezondheid.nl/action/psychowijzer/21/depressie.html

gezondheid, F. p. (2015). Tips betrokkenen ADHD. Opgehaald van GGZ Fryslan: https://www.ggzfriesland.nl/tips-betrokkenen-adhd

Instituut, N. j. (2015, 12 14). Doelstellingen van opvoedondersteuning. Opgehaald van Nederlands Jeugd Instituut: http://www.nji.nl/Doelstellingen-van-opvoedingsondersteuning

Instituut, N. J. (2015, 12 14). Dossier: opvoedondersteuning. Opgehaald van Nederlands Jeugd Instituut: http://www.nji.nl/Opvoeddoelen

Loghum, B. S. (2009). Het omgaan met chronisch zieken. Opgehaald van TPO, tijdschrift voor praktijkondersteuning: http://www.tijdschriftpraktijkondersteuning.nl/archief/volledig/id342-het-omgaan-met-chronisch-zieken.html

MEE Utrecht, G. e. (2015). Omgaan met mensen met een licht verstandelijke beperking. Voor verwijzers. Opgehaald van www.mee-ugv.nl/media/med_view.asp?med_id=3258

Overzicht van ontwikkelingsopgaven, opvoedingsopgaven en veel voorkomende “normale” en ernstige problemen (Van Yperen, 2009). (2015). Opgehaald van http://www.cjgzeeuwsvlaanderen.nl/uploads/site_media/118/Professionals/Overzicht-van-ontwikkelingsopgaven-en-opvoedingsproblemen.pdf

Therapiehulp. (2006). Psychomotorische therapie. Opgehaald van Therapiehulp.nl: http://www.therapiehulp.nl/therapie/psychotherapie/lichaamsgerichte/psychomotorische-therapie

Trimbos instituut, G. (2015). Gameninfo tips voor ouders. Opgehaald van Tribosinstituut: http://www.gameninfo.nl/publiek/kind-gamen/tips-voor-ouders

Trimbos instituut, G. (2015). Gameninfo, als het uit de hand loopt. Opgehaald van Gameninfo: http://www.gameninfo.nl/publiek/kind-gamen/als-het-uit-de-hand-loopt

Trimbos instituut, G. (2015). Tips voor een goed gesprek. Opgehaald van Gameninfo: http://www.gameninfo.nl/publiek/mijn-partner-gamet-veel/tips-voor-een-goed-gesprek

Trimbos-instituut. (2015). Persoonsgerichte Zorg. Opgehaald van Trimbos-instituut: https://www.trimbos.nl/themas/dementiezorg/persoonsgerichte-zorg