Diabetes mellitus

Coby Kooistra & Mirte Vlieger MZ3C1

Wat is diabetes mellitus?

Bij diabetes kan het lichaam de bloedsuiker niet meer in evenwicht houden. Dat komt doordat het lichaam te weinig van het hormoon insuline heeft. En ook reageert het lichaam vaak niet meer goed op insuline. Of het maakt helemaal geen insuline meer. Insuline regelt de bloedsuikerspiegel.
Wat is diabetes?

Verschillende soorten diabetes mellitus.

Diabetes heet ook wel suikerziekte. De meest voorkomende soort is diabetes type 2: negen van de tien mensen met diabetes hebben diabetes type 2. Zij hebben te weinig insuline in het lichaam en reageren daar ook niet meer goed op.


Er zijn ook mensen bij wie het afweersysteem de cellen vernielt die insuline aanmaken. Het afweersysteem vergist zich dus. Dan heb je diabetes type 1. Mensen met diabetes type 1 moeten elke dag bloedsuiker meten, insuline spuiten of een pompje dragen. Ze kunnen geen hap eten zonder te berekenen hoeveel insuline ervoor nodig is.

Hoe ontdek je diabetes mellitus?

Hoe herken je diabetes type 2?

Diabetes type 2 komt het meest voor en is het moeilijkst te herkennen.
Aanwijzingen kunnen zijn:


vaak dorst en veel plassen

veel moe zijn

last van ogen, zoals rode en branderige ogen, wazig zien, dubbel zien of slecht zien

slecht genezende wondjes

kortademigheid of pijn in de benen bij het lopen

infecties die vaak terugkomen, zoals blaasontsteking


Hoe herken je diabetes type 1?

Diabetes type 1 wordt meestal snel ontdekt. Iemand met onbehandelde diabetes type 1 drinkt heel veel, valt af en voelt zich in korte tijd zo ziek dat hij wel naar de huisarts gaat. Bij diabetes type 1 zijn mogelijke klachten:


veel dorst en veel plassen

afvallen zonder dat daar een reden voor is

ziek en beroerd voelen

veel honger hebben, of juist helemaal niet

wazig zien

misselijk zijn of overgeven

Hoe herken je diabetes?

Gebruik medicijnen of insuline.

Soorten medicijnen:

Metformine: Het zorgt ervoor dat de lever minder bloedsuiker aanmaakt. Het heeft ook een goede invloed op de bloedvaten. Bijwerkingen kunnen zijn misselijkheid en diarree, en vitamine B12-tekort.

Sulfonylureumderivaten: zoals tolbutamide, gliclazide, glimepiride, en glibenclamide. Deze middelen zorgen ervoor dat de alvleesklier meer insuline afgeeft. Daardoor kan het lichaam meer glucose uit het bloed halen en daalt de bloedsuikerspiegel. Ook worden de cellen waarschijnlijk gevoeliger voor insuline. Nadeel is een risico op hypo’s (te lage bloedsuiker).

Thiazolidinedionen: vooral pioglitazon. Deze middelen maken de lichaamscellen gevoeliger voor insuline, zodat de bloedsuiker beter kan worden opgenomen. Het is niet zo geschikt voor mensen met lever- of hartproblemen. Meglitiniden: zoals repaglinide. Dit middel zorgt ervoor dat de alvleesklier meer insuline aanmaakt. Ze werken heel kort en snel, dus precies voor de duur van een maaltijd. Dit middel wordt niet vaak voorgeschreven.

GLP-1-analogen en DPP-4-remmers: exenatide, sitagliptine, vildagliptine, saxagliptine, liraglutide en linagliptine. Dit zijn nieuwe middelen. Ze beïnvloeden hormonen die de darmen aanmaken in reactie op eten. Die hormonen geven na het eten een seintje aan de alvleesklier dat er meer insuline moet komen om de bloedsuikerspiegel te verlagen. Tegelijkertijd zorgen ze ervoor dat de lever minder bloedsuiker aanmaakt. Sommige van deze middelen kunnen alleen met een injectie worden ingespoten.

Soorten insuline

Als je lichaam zelf geen insuline maakt, moet je insuline spuiten, of een insulinepomp gebruiken. Er zijn verschillende soorten insuline, met een verschillende werking. Zo is er snelwerkende insuline die snel in het bloed wordt opgenomen en die in korte tijd de bloedsuiker verlaagt. Ook is er insuline met een langzame werking, en allerlei tussenvormen.


Insuline injecteren

Insuline injecteren doe je meestal met een insulinepen. Dat is een injectiespuit met een heel dun naaldje. Insuline spuit je in vlak onder de huid, in het onderhuidse vet. Dat heet ‘subcutaan’. Het komt dus niet rechtstreeks in het bloed, maar wordt geleidelijk opgenomen.


Waar injecteer je insuline?

De plaats van insuline injecteren, is afhankelijk van de soort insuline en of iemand overgewicht heeft. Kortwerkende insuline werkt het snelst als het onder de buikhuid wordt geïnjecteerd. Maar heb je een buikje door overgewicht, dan kan dat beter in een arm of dijbeen gebeuren. Wanneer de insuline maar heel geleidelijk zijn werk moet doen, dus bij langwerkende insuline, is het beter om te injecteren in bil of been. Een alternatief voor zelf insuline injecteren is de insulinepomp.

Big image

Voeding

Er worden veel fabels verteld over diabetes. Zo denken veel mensen dat je geen suiker meer mag als je diabetes hebt, maar dat is niet waar. Maar hoe weet je wat wel goed is voor jouw lijf? Onderzoek laat zien dat bij diabetes koolhydraten en vetten een belangrijke rol spelen. Deze rol verschilt per persoon en is bij diabetes type 1 anders dan bij diabetes type 2.


Ieder mens is anders

Bovendien is ieder mens anders. Afhankelijk van iemand zijn leefstijl en het type diabetes heeft elk lijf andere behoeften. Deze behoeften zijn persoonlijk en veranderen ook nog eens per levensfase. Dat is niet eenvoudig. Daar heb je uitgebreide voedingskennis, medische kennis en een flinke portie ervaring voor nodig! De diëtist is de aangewezen persoon om een DM patiënt hierbij te helpen

Hypo en hyper

Wat is een hypo en een hyper?

De hoeveelheid suiker in het bloed verandert steeds. Dat komt bijvoorbeeld door eten, drinken, bewegen, stress, emoties of een griepje. Een te lage bloedsuikerspiegel heet hypoglykemie, of kort gezegd hypo. Een te hoge bloedsuiker heet hyperglykemie, afgekort tot hyper.
Big image

Complicaties op lange termijn

Ook op lange termijn (maanden, jaren) kunnen er problemen ontstaan door diabetes. Een hoge glucosespiegel versterkt namelijk het afbraakproces van de wand van de slagaderen met als gevolg een reeks processen die aderverkalking ten gevolg hebben.

Een dergelijk proces vindt ook plaats bij de zenuwbanen. Omdat zenuwbanen en bloedvaatjes in elk orgaan of lichaamsdeel voorkomen betekent dat diabetes een verwoestend effect kan hebben op een heleboel belangrijke gebieden van het lichaam.
Hoe beter de diabetes onder controle is, hoe meer kans iemand heeft om minder lange termijn problemen te ontwikkelen.
Omdat patiënten in het begin geen last hebben is het voor bijna iedereen moeilijk om zich aan de behandeling van diabetes te houden. Toch is het belangrijk om de desastreuze complicaties proberen te voorkomen.

Bloedglucose bepalen

Bloedsuiker heet officieel bloedglucose. Je meet het met een bloedglucosemeter, die je kunt kopen bij de apotheek of een postorderbedrijf voor diabeteshulpmiddelen. In de bloedglucosemeter stop je eerst een teststrip. Met een speciaal prikapparaatje prik je in je vinger, waarbij een druppel bloed vrij komt. Deze houd je tegen de teststrip aan. Na een paar seconden verschijnt op het schermpje van de bloedglucosemeter een getal in mmol/l. Dit getal geeft aan hoeveel glucose er in het bloed zit (de bloedglucosewaarde).

Als je op deze link klikt staat er in stappen uitgelegd hoe je je suikers kan meten:
https://www.lifescan.nl/knowledge/article/self-testing/how