Visie, beroepshouding en ethiek

Samenvatting kennisbasisbegrippen beroepshouding en ethiek

Samenvatting visie, beroepshouding en ethiek

Beroepshouding & Ethiek

Ethische denklijnen

Waarde(n)vol handelen:

• Objectief: Feiten, kennen, is het waar?

• Subjectief: Emoties, beleven, is het waarachtig?

• Normatief: Een norm voorschrijvend, waarderen, is het juist?

• Ethiek: Wetenschappelijke studie van de moraal.

• Moraal: Het geheel van normen en waarden dat als een belangrijke richtlijn voor het eigen handelen wordt beschouwd (individueel, groep, instelling, cultuur).

• Normen: Concrete gedragsregels-of handelingsvoorschriften.

• Waarden: Nastrevenswaardige ervaringen-situatiesMaatschappijkritische Kaak. Aan de kaak stellen is wat 'kritische' schrijvers volgens leraren Nederlands doen met wantoestanden. Nooit eens met personen, zoals in de goeie ouwe middeleeuwen. (Zie ook Maatschappijkritiek)

Maatschappijkritiek.

Wordt geleverd, gewoonlijk in kwantumverpakking, door linkse schrijvers, die geloven in de goedheid van de mens maar een gloeiende hekel hebben aan hun buren.

Empirische

Als iets gebaseerd is op waarneming. Voorbeelden: “Bij empirisch onderzoek doe je proeven of experimenten, analyseer je de resultaten en trek je op basis daarvan een conclusie.” “empirisch bewijs” (Encyclo)

Empirisch-analytische methode:

standaardmethode van de natuurwetenschap voor het verklaren van(natuur)verschijnselen door middel van waarneming en logische analyse. (Coultre, 2014)blz. 138.

Empirische cyclus: methode voor natuurwetenschappelijk onderzoek volgens verschillende stadia (opstellen van hypothesen, observatie, inductie, deductie, evaluatie (Coultre, 2014)blz. 142,143.

Empirisme: stelt dat kennis tot stand komt door de ervaring (via zintuigelijke waarneming)

(Coultre, 2014) blz.11,104,106,107,112,114,116.

Emancipatorische

Als iets emancipatie bevordert of ermee verband houdt. Voorbeelden: “Bij emancipatorische hulpverlening proberen begeleiders samen met het gezin problemen op te lossen in plaats van dit zelf voor hen te doen.”

Kennis van visiemodellen op wetenschap, mens en samenleving:

• het sociaal-technologische model

Aanhangers van het sociaal-technologisch model gaan ervan uit dat we in een snel veranderende maatschappij leven die vraagt om aanpassingen van individuen, groepen en organisaties. Niet iedereen slaagt daarin, waardoor psychologische problemen kunnen ontstaan. Hulpverleners moeten mensen helpen in dit aanpassingsproces en daarbij zoveel mogelijk gebruikmaken van een wetenschappelijke gefungeerde aanpak, waarbij efficiëntie, effectiviteit en planmatigheid sleutelwoorden zijn. (Verharen & Nicolasen, 2011)

Kennis van visiemodellen op wetenschap, mens en samenleving:

• het persoonsgerichte model

Uitgangspunt in het persoonsgerichte model is ‘(...) het geloof in de capaciteit van de mensen om in vrijheid eigen keuzes te maken en betekenissen en waarden toe te kennen aan zichzelf en de wereld om hen heen.’ (Donkers, ib. p. 71). Problemen ontstaan in de communicatie tussen mensen en doordat mensen niet kunnen en mogen zijn wat ze werkelijk zelf willen en ervaren. De hulpverlener werkt vanuit persoonlijke kwaliteiten volgens een open en flexibele aanpak in dialoog met de cliënt aan persoonlijke ontwikkeling. (Verharen & Nicolasen, 2011)

Kennis van visiemodellen op wetenschap, mens en samenleving:

• het maatschappij kritische model

In het maatschappijkritische model wordt het handelen van de cliënt als een sociaal verschijnsel gezien. Mensen zijn uniek en tegelijkertijd verbonden met de wereld om hen heen. Oorzaken van problemen met individuen vinden vaak hun oorsprong in de sociale en maatschappelijke omstandigheden. De hulpverlening is op het niveau van de cliënt gericht op bewustwording van positie en het uitbreiden van de handelingsbekwaamheid en op het niveau van de omgeving gericht op het opheffen van structurele oorzaken van problemen van de doelgroep. (Verharen & Nicolasen, 2011)

Kennis van visiemodellen op wetenschap, mens en samenleving:

• het holistische model

De holistische mensvisie gaat ervan uit dat de mens een socio-psychosomatische eenheid vormt. Men kan de sociale (maatschappelijke), psychische (geestelijke) en somatische (lichamelijke) onderdelen wel onderscheiden, maar niet van elkaar scheiden. De mens is altijd meer dan een optelsom van verschillende onderdelen. Voor alles wordt de mens gezien als een uniek wezen. Geen twee mensen zijn hetzelfde, omdat er altijd wel iets anders is in henzelf of de omstandigheden waarin ze verkeren. De holistische visie ziet de mens tevens als zelf verantwoordelijk voor zijn eigen leven en functioneren. Ieder mens heeft de persoonlijke verantwoordelijkheid om op zijn eigen unieke wijze in zijn behoeften te voorzien, om zodoende een zinvol en gezond bestaan op te bouwen waarin hij zich kan ontplooien. Deze zelfontplooiing en zelfverwerkelijking maken dat de mens zichzelf als een uniek, ondeelbaar geheel kan ervaren.

Moraal en moraliteit

Het begrip moraal (of zeden) geeft de handelingen en gedragingen aan die in een maatschappelijke context als correct en wenselijk worden gezien. Het filosofisch vakgebied van de ethiek richt zich op de vraag 'wat is een goede moraal?'.

De evolutie van moraliteit of evolutie van (de) moraal is de evolutionaire en biologische ontwikkeling van (bepaalde aspecten van) menselijk moreel gedrag. Het draait dus om de vraag in welke mate en op welke wijze het moreel gedrag een product is van evolutionaire principes, zoals natuurlijke selectie, in de loop van de evolutie van de soort in kwestie. Onderzoek hiernaar valt te plaatsen binnen de sociobiologie, een discipline die sociale en culturele fenomenen, waaronder dus ook moreel gedrag, vanuit biologisch oogpunt wil verklaren. (Wikipedia)

Moraal:

Het geheel van normen en waarden dat door een individu of binnen een groep, instelling of cultuur als een belangrijke richtlijn voor het eigen handelen wordt beschouwd. (Delden, 2010) blz15.

Levensbeschouwing

Levensbeschouwing is een visie op het leven:

wat het leven betekent, wat de waarde ervan is en hoe het geleefd moet worden.

Een term die erop lijkt is filosofie, alhoewel filosofie vooral een gerichte levensbeschouwelijke activiteit op rationele grondslag is. Levensbeschouwingen echter kunnen ook een minder rationele basis hebben. Zo is het mogelijk dat de aanhangers ervan zich beroepen op een al dan niet voor iedereen toegankelijke openbaring van buitenaf (religie en/of esoterie), op een 'innerlijke stem' (eigen geweten of gevoel of ook esoterie) of op culturele tradities. 'Ideologie' en 'wereldbeeld' zijn termen die overlappen of vaak geassocieerd worden met het begrip levensbeschouwing.

In het onderwijs in Nederland wordt de term 'bijzonder' gebruikt om scholen van een zekere levensbeschouwelijke richting te onderscheiden van openbare scholen, die door de overheid worden onderhouden en geacht worden geen bepaalde levensbeschouwelijke stroming boven een andere te stellen. Levensbeschouwing wordt ook als vak onderwezen aan diverse onderwijsinstituten. (WikipediA)

Omgangsprotocollen

Een omgangsprotocol is een handelingsplan voor de school; hierin wordt vastgelegd welke stappen de school gaat zetten in geval omgangsnormen in gevaar komen; het geeft kinderen, leerkrachten en ouders duidelijkheid. Door het protocol te volgen ontstaat er een samenwerking tussen leerkrachten, pester, gepeste, overige klasgenoten en ouders, waar ook een preventieve werking vanuit gaat.

Ethisch kwesties

Ethische kwesties betreft bepaalde maatschappelijke discussies waarin morele overwegingen een belangrijke, zo niet een centrale rol spelen.

Cliëntgerichte benadering van Rogers die gekenmerkt wordt door:

Rogers is de belangrijkste vertegenwoordiger van de cliëntgerichte benadering. Rogers is voorstander om eerst een goede basis te leggen voordat er direct over een oplossing gesproken kan worden. Hij was van mening dat de hulpverlener eerst rust en vertrouwen moet bieden. Ten tweede moet hij zich verdiepen in de belevingswereld van de cliënt en tenslotte hun wijzen op eigen mogelijkheden om problemen op te lossen.

• Zelfactualisering

Rogers legt de nadruk op self-actualizing tendency. Dat wil zeggen dat de mens zelf een drijvende kracht in zich heeft. De neiging tot zelfactualisering is een kenmerk van de mens om zo zijn eigen identiteit te ontwikkelen.

• Onvoorwaardelijke acceptatie

Volgens Rogers is het van belang dat mensen van jongs af aan zich gewaardeerd voelen. Positieve aandacht en zorg van mensen uit de eigen omgeving. Zonder voorwaarden voldoende warmte en liefde ontvangen. Dus niet ‘als je de afwas doet ben je een lieve meid’ (zonder de afwas te doen ben je ook een lieve meid) Mensen die in zo’n omgeving zich ontwikkelen voelen zich veilig kunnen zich ook beter uiten.

• Onvoorwaardelijke positieve waardering

De hulpverlener moet de cliënt accepteren zoals hij is. Ondanks alle slechte eigenschappen en gedragingen moet er respect en erkenning zijn. De hulpverlener hoeft het niet altijd met zijn cliënt eens te zijn maar het is wel belangrijk om het eigene van de ander te respecteren.

• Echtheid

De hulpverlener moet authentiek en transparent zijn. Bij ‘echtheid’ moeten we onderscheid maken tussen het denken en beleven van de hulpverlener enerzijds en de uitvoering anderzijds. De hulpverlener moet in eerste plaats echt en eerlijk tegenover zichzelf zijn. Hij kan allerlei gedachten en gevoelens hebben over de cliënt maar hoe gaat hij daar mee om in het contact met de cliënt. Hij kan bijvoorbeeld niet alle negatieve gedachten die hij over de cliënt heeft uitspreken.

• Empathie

Empathie wordt ook wel ´inleven´ genoemd. Als de hulpverlener de cliënt onvoorwaardelijk kan accepteren is het mogelijk om de belevingswereld van de ander te begrijpen. Dit inleven wordt vooral ook laten merken door de houding van de hulpverlener. Een gebaar, lichaamshouding of een gelaatsuitdrukking kan veelzeggend zijn.

Hoe om te gaan met fysiek contact en intimiteit.

Intimiteit en seksualiteit worden nogal makkelijk op een hoop gegooid, alsof ze hetzelfde zijn. Dat zijn ze niet.

Intimiteit en seksualiteit zijn de twee uiterste vormen van verbondenheid, de ene niet belangrijker dan de andere, die tussen twee personen mogelijk is. Intimiteit en seksualiteit liggen in elkaars verlengde, zijn complementair aan elkaar en, deels, inwisselbaar.

De mens is in eerste aanleg een fysiek wezen, een dier. Al het andere, in het bijzonder de cognitie en ratio, ontwikkelde zich pas veel later. Verbondenheid is daarom in beginsel altijd fysieke verbondenheid. Intimiteit en seksualiteit zijn in de basis fysieke fenomenen. Denk aan een nest jonge katten, een warme massa lijven. Denk aan honden en apen die elkaar ongegeneerd bespringen.

Dat intimiteit en seksualiteit in de kern fysiek zijn, merk je ook goed wanneer je bijvoorbeeld in Afrika bent, waar dan ook in Afrika. In hoe de mensen daar met elkaar omgaan. Hoe fysiek dat dan vorm krijgt en hoe natuurlijk en warm dat dan aanvoelt. Hoe fysiek de intimiteit is die daar tussen personen gestalte krijgt, evenals de seksualiteit. Hoever wij hier in het Westen zijn afgeraakt van onszelf.

Relaties waarin het fysieke element ontbreekt, zoals relaties op afstand, en platonische en intellectuele relaties, ontwikkelen zich dan ook zelden volledig, gaan zelden diep, en zijn zelden bestendig.

Moraal

Moraal gaat over de handelingen en het gedrag die door de maatschappij als wenselijk worden gezien. Het betekent ook wel zeden.

Moraal:

Het geheel van normen en waarden dat door een individu of binnen een groep, instelling of cultuur als een belangrijke richtlijn voor het eigen handelen wordt beschouwd. (Delden, 2010) blz15.

Moraliteit Moraliteit is de benaming voor een middeleeuws toneelspel uitgevoerd in de volkstaal.

Kenmerkend voor de moraliteit is het optreden van allegorische personages, die de verpersoonlijking zijn van (on)deugden, en een didactische strekking, dat wil zeggen met het doel een morele les te leren.

De moraliteit is niet persé religieus van aard. Het genre kwam voor in Engeland (onder meer The Castle of Perseverance), Frankrijk en Nederland. Het bekendste voorbeeld is het Nederlandstalige Elckerlijc, in Engeland bekend onder de titel Everyman (wikipedia.nl, 2015)

Visie

Een goede visie geeft het concreet beeld van de toekomst van een organisatie weer. Je geeft met andere woorden een kort en helder antwoord op de vraag: 'hoe zien we onszelf in de wereld van morgen?'

Visievorming

Definitie visie

Een visie is een algemene voorstelling van de toekomst van een organisatie. Het geeft aan waarvoor de mensen uit de organisatie gaan, wat hun toekomstdroom is. Omdat een visie over zaken gaat die in een verre toekomst eventueel kunnen plaatsvinden wordt een visie soms bijgesteld.

Hoe formuleer ik een visie?

Een corporate vision bestaat veelal uit de volgende onderdelen:

• Hoe ziet de omgeving van onze organisatie er in de verre toekomst uit?

• Wat willen we als organisatie tegen die tijd bereikt hebben?

• Langs welke weg gaan we die positie bereiken?

Het onderzoeken van een verre toekomst heet ook wel scenario planning.

De fasen van de morele ontwikkeling bij alle leeftijdsgroepen.

De morele ontwikkeling is de ontwikkeling van wat we goed en verkeerd vinden, van

waarden en normen. Een klein kind heeft nog geen besef van goed en kwaad. De waarden

en normen krijgt het aangereikt door de opvoeders en langzaam leert het daarnaar te leven.

De opvoeders hebben de taak het kind hierin te begeleiden; om het, met andere woorden,

moreel op te voeden. In dit thema laten we zien hoe je de morele ontwikkeling van kinderen

kunt begeleiden.

De morele ontwikkeling is de ontwikkeling van waarden en normen en het handelen naar die waarden en normen. In de samenleving vindt men bepaalde waarden en normen belangrijk. In de opvoeding worden deze ‘ingeprent’ in het bewustzijn van het kind. Het maakt zich de waarden en normen eigen en beschouwt ze op een gegeven moment als vanzelfsprekend. Het heeft ze dan ‘verinnerlijkt’ (geïnternaliseerd). Zo vormt zich een geweten. Het geweten is je innerlijke stem die zegt wat goed en kwaad is.

Het geweten wordt voor een belangrijk deel opgebouwd door geboden en verboden, door complimentjes voor wat goed gaat en door straffen en belonen. Heb je eenmaal een geweten ontwikkeld dan krijg je last van schuldgevoelens als je tegen je geweten ingaat. Je hebt dan een innerlijke stem die je waarschuwt als je de ‘fout’ in dreigt te gaan. Als je goed handelt, heb je daarentegen een goed gevoel.

Middels verschillende methoden de waarden- en visieontwikkeling stimuleren.

Volgens Kohlbergs morele ontwikkelingstheorie zijn er drie niveaus van moreel

denken:

Lawrence Kohlberg (Bronxville, 25 oktober 1927 – 19 januari 1987) was een Amerikaanse psycholoog. Hij is bekend vanwege zijn stadiumtheorie over de morele ontwikkeling van kinderen, adolescenten en volwassenen. Kohlberg bouwde voort op het werk van Jean Piaget.

Cognitieve stadiumtheorie over de morele ontwikkeling van kinderen.

Kohlberg ontwikkelde, geïnspireerd door het genetisch structuralisme van Jean Piaget, een model voor de morele ontwikkeling van kinderen. Hij bekijkt de ethische groei van de kinderen. Gedurende de morele ontwikkeling doorloopt een mens verschillende stadia in een vaste volgorde. De eerste stadia die doorlopen worden betreffen de meest basale normen. De stadia worden steeds complexer en meeromvattend. Kohlberg verspreidde zijn theorie over 3 niveaus met telkens 2 fases. (totaal 6 fases) (wikipedia.nl, 2015)

Kohlberg wil laten zien dat ieder stadium een min of meer samenhangende manier van reageren, denken en voelen over goed en kwaad heeft. Je moet elk stadium doorlopen hebben vóór je in een volgend stadium terechtkomt. Elk kind doorloopt de stadia in het eigen tempo. Hoe ver iemand komt is afhankelijk van de eigen ontwikkeling en de stimulansen uit de omgeving. Bovendien is een bepaalde intelligentie vereist. Niet iedereen bereikt daarom het eindstadium van de morele ontwikkeling. Iemand met een verstandelijke beperking zal dit bijvoorbeeld niet lukken.

Kohlberg vindt het belangrijk dat iedereen beseft dat hijzelf morele waarden en normen kan bedenken en ontwikkelen. Hij maakt echter wel onderscheid tussen denken en doen. Iemand die morele waarden en normen heeft, leeft daar nog niet altijd naar.

• Preconventionele moraliteit

Het preconventionele stadium loopt van 0 tot ongeveer 10 á 12 jaar. In het preconventionele stadium moet een kind het morele denken, voelen en handelen nog leren. Het ontwikkelt een primitieve vorm van moreel besef. Het laat iets na omdat het anders straf krijgt of een berisping. Het doet iets goed omdat het dan een beloning krijgt of goedkeuring. Het hanteert dus een soort weegschaal om te beoordelen wat het zal doen.

Eigenlijk is er hiervoor nóg een fase. Baby’s en heel jonge kinderen laten zich leiden door wat zij prettig of opwindend vinden (goed) en wat zij vervelend vinden, wat pijnlijk is of angst inboezemt (kwaad). Dit noemen we de premorele fase.

1. Premoraliteit:

Goed is wat plezierig is. (voorafgaand niveau)

Wat pijn doet, of angst veroorzaakt, is slecht. Een kind heeft in zijn eerste levensjaren nog geen ethisch besef. Ze kennen geen onderscheid tussen goed en slecht. Wat hen gelukkig maakt, is goed. Het kind gaat instinctief reageren en hier niet over nadenken.

1ste niveau: pre conventioneel niveau

Fase 1: straf vermijden

Men doet alles om straf te vermijden. Zo denkt het individu niet na over de inhoud maar enkel aan het doel. Een meisje wilt bijvoorbeeld Dvd’s stelen, maar ziet aan de uitgang een bewakingsagent. Ze bergt de Dvd’s weer op. Dit doet ze niet omdat ze beseft dat het 'slecht' is. Ze wil gewoon straf vermijden en zo ook niet in conflict komen met haar externe autoriteit (ouders). Het minimum wordt bereikt, iedereen is gelukkig maar het eigenlijke doel niet

Fase 2: wederzijds voordeel zoeken/ weegschaalmodel hanteren

Je gaat in deze fase ook weer niet ethisch denken, je doet iets voor een ander omdat hij/zij dan iets moet terug doen. Eigenbelang staat in deze fase centraal. vb. Je wilt naar een fuif maar je moet babysitten op je kleine broertje. Je geeft je broertje pizza en film zodat jij weg kan gaan. Je doet dit enkel uit eigenbelang. Het eigenlijke doel/ essentie wordt weer niet bereikt, je gaat niet babysitten. Om dit te bereiken moet je onderhandelen. (wikipedia.nl, 2015)

• Conventionele moraliteit

Als een kind tussen de 10 en 18 jaar is, bevindt hij zich in het conventionele stadium. Een kind van ongeveer tien jaar wil graag goedkeuring en waardering vanuit de sociale omgeving. Hij wil regels naleven omdat hij een goede relatie wil onderhouden met de personen om zich heen. Hij let op wat de mensen om hem heen verwachten en probeert aan die verwachtingen te voldoen.

Het wat oudere kind in deze leeftijdscategorie voegt zich vooral naar wat vrienden (de peergroup) goed of verkeerd vinden. Ze willen bijvoorbeeld ‘cool’ gevonden worden door de groep en willen geen afwijkende mening hebben. Zij vinden goed en normaal wat de groep of een idool goed en normaal vindt.

2de niveau: conventioneel niveau

Fase 3: Goed is wat de anderen goed vinden

Je geeft je identiteit op, maar de essentie wordt wel bereikt. Je kijkt eerst naar anderen voor je een besluit neemt en past je hier op aan. Dit kan leiden tot negatieve gevolgen. vb. Een punker verandert uiterlijk en gedrag om een job te bemachtigen. Hij voelt zich niet goed in zijn vel maar anders zou hij niet voldoen aan de criteria. Het doel bereikt, hij bemachtigt de functie.

Fase 4: De wetten en regels naleven

Het doel in deze fase is het optimaal functioneren in een samenleving. Hierbij is er nood aan regelgeving in de maatschappij. Deze regelgeving is gericht op het doel. Je leeft de wetten na op de letter en houdt geen rekening met de geest. Men gaat de wetten verstrengen en verinnerlijken. Je verliest het einddoel uit het oog, of er treden conflicten op met het einddoel. Indien je de wet uitvoert naar de letter heb je de mogelijkheid je te verschuilen achter de ander. Hierbij schuif je de schuld in iemand anders zijn schoenen. vb. Leerkracht zegt: " Het ligt niet aan mij, de directeur heeft deze regel opgelegd." (wikipedia.nl, 2015)

• Postconventionele moraliteit

In het postconventionele stadium (vanaf ongeveer 18 jaar) denken jongeren en volwassenen na over de waarden en normen die ze aangereikt hebben gekregen in de opvoeding. Waarden en normen worden in dit laatste stadium heroverwogen De goede waarden en normen worden behouden, andere worden verworpen of er komen nieuwe voor in de plaats.

In dit stadium ben je in staat om, naar gelang de omstandigheden, de regels en wetten aan te passen zonder dat je de achterliggende moraal en principes geweld aandoet.

3de niveau: Post conventioneel niveau

Fase 5: eigen waardepatroon ontwikkelen

Het is niet gelijk aan je zin doen, je stelt jezelf de vraag of je de wet altijd naar de letter moet naleven. Je hebt een oordelend vermogen, afspraken moeten gerespecteerd worden, maar dit kan veranderen naargelang de context. Je houdt rekening met de complexiteit van de situatie. vb. Om een berg te beklimmen, moet je over een grasveld, maar dit is echter pas gezaaid. De regel luidt dat er geen bottinnen op komen. Fase 4 zou geen bottinnen toelaten, maar fase 5 houdt rekening met de situatie. Je mag bottinnen aandoen maar dit wel enkel bij de bergen.

Fase 6: Het als vanzelfsprekend hanteren van universele waarden/ iets is goed omdat het niet tegen de eigen principes ingaat.

Je persoonlijk geweten heeft de grootste doorslag. Wat slecht is zal ik afkeuren ook al heeft dit gevolgen. vb. Je werkt bij een verzekeringsmaatschappij. De burgers staken omdat het verzekeringssysteem de armeren van de bevolking niet voorzien van een sociaal vangnet. Je bent het hiermee eens dus je loopt mee in de staking ook al weet je dat deze actie consequenties heeft voor je carrière. Alles wat je doet staat in functie van de universele waarden. Je voelt je innerlijk gedwongen deze waarden te realiseren. (wikipedia.nl, 2015)

Methoden voor waardenvisieontwikkeling zijn bv.:

Visie ontwikkelen

Als je vanuit het nu terugkijkt, zijn dingen vaak heel anders gelopen dan je jaren eerder had gedacht. Als je dát nou van te voren had geweten... Als je een visie hebt, heb je een duidelijk beeld van wat je wilt dat er in de toekomst gaat gebeuren. Daar kun je op anticiperen. Of je toekomstvisie uitkomt, is natuurlijk een tweede. Gelukkig kun je zelf, als afdeling of als organisatie, die toekomst beïnvloeden.

Visie op drie niveaus

Visie hebben is niet alleen weggelegd voor de top van de organisatie. Er zijn namelijk meerdere niveaus:

Een organisatievisie geeft een kort en helder antwoord op de vraag: hoe zien wij ons in de wereld van morgen?

Een afdelingsvisie is een concreet beeld van de toekomst voor een afdeling. Waarheen moet de afdeling zich ontwikkelen om de organisatievisie te kunnen realiseren?

Een persoonlijke visie is het bewustzijn van wat echt belangrijk voor je is, vertaald in een concreet beeld van wat je wilt bereiken. (carrieretijger.nl, 2015)

• Dilemmahantering

Stappenplan om een ethisch dilemma te analyseren in een moreel beraad:

Fase 1: de situatie en het dilemma

1. Wat is precies de situatie?

2. Wat is het ethisch dilemma / wat zijn de ethische dilemma’s? En waarom en voor wie?

3. Heb je voldoende feitenkennis? (is het dossier voldoende duidelijk en worden feiten goed onderscheiden van interpretaties?)

Fase 2: de analyse

4. Wat zijn jouw handelingsmogelijkheden en wat zijn daar de voor- en nadelen van?

5. Welke waarden en normen spelen een rol in dit dilemma? Voor jou en voor betrokkenen?

6. Welke belangen spelen een rol in dit dilemma? Voor jou en voor betrokkenen?

7. Welke artikelen van de Beroepscode spelen een rol in dit dilemma? Wat zeggen ze over dit dilemma?

Fase 3: de besluitvorming

8. Welke rangorde van waarden, o.a. artikelen uit de Beroepscode en belangen stel je vast?

9. Naar welke beslissing neig je en hoe is deze te verantwoorden?

• welke alternatieven zijn er en heb je die voldoende meegewogen?

• als het mij zelf betrof, zou ik de oplossing kunnen accepteren? (principe van wederkerigheid) zou je andere cliënten op dezelfde wijze behandelen? (principe van gelijkheid)

• heb je voldoende overlegd met collega’s? (moreel beraad)

10. Wat is je besluit? Verantwoord je besluit/handelen tegenover de cliënt. (casusconsult.nl, 2015)

• Het socratische gesprek: Een socratisch gesprek is een denkgesprek, een gesprek over onze denkbeelden en opvattingen.

Een socratisch gesprek levert verschillende dingen op. De mate waarin is uiteraard afhankelijk van de duur van het gesprek.

Een kort socratisch gesprek is vaak al een indringende ervaring, omdat je erachter komt wat iemand denkt en waarom. Dat is dan ook vaak het startpunt om te willen weten ‘hoe het zit’. Die ervaring dragen mensen nog lang met zich mee en zorgt ervoor dat iemand zijn eigen en andermans opvattingen minder snel als ‘vanzelfsprekend’ ziet.

Door het socratisch gesprek krijg je bovendien inzicht in het gespreksonderwerp – de woorden en begrippen die daarmee samenhangen, krijgen vaak een nieuwe en diepere betekenis. En leert de denkbeelden van je gesprekspartners beter kennen.

Mensen maken zich door deelname aan een socratisch gesprek de houding eigen die daarvoor nodig is, een gespreks- en onderzoekshouding van:

• vrijuit durven spreken

• de ander spreekruimte geven

• elkaar durven en willen bevragen

• Verschillende vormen van discussie.

Als je discussieert, verschil je van mening met een ander en wil je die persoon overtuigen van de juistheid van jouw standpunt. Beide partijen gebruiken argumenten om hun standpunt te verdedigen. Een belangrijk verschil met een betoog is dat je direct op elkaars argumenten moet reageren. Goed luisteren en snel denken dus. Discussiëren is de mondelinge vorm van argumenteren. Argumenteer je op papier (of op het scherm) dan schrijf je een betoog.

Een discussie kan verschillende doelen hebben.

• Informeren:

als je een informatieve discussie voert ben je er niet op gericht het met elkaar eens te worden, maar wil je horen hoe de anderen over het onderwerp denken. Een voorbeeld van een dergelijke discussie is een discussie tussen verschillende collega-software engineers over de software die het best bruikbaar is om een game te maken. Er hoeft nog geen definitieve keuze gemaakt te worden.

• Een besluit nemen:

met een besluitvormende discussie is het doel tot een gezamenlijk besluit te komen. Ideaal gezien word je het met elkaar eens. Kom je er in de discussie niet uit, dan kun je gaan stemmen (behalve als je met zijn tweeën bent) of door te onderhandelen een compromis zoeken. Een voorbeeld van een besluitvormende discussie: een goede werkverdeling bij het maken van een game. De tijd dringt, dus iedereen moet vandaag met zijn eigen taken aan de slag.

Fases in een discussie

Ideaal gezien heeft een discussie vier fases.

1. De confrontatie

2. De opening

3. De argumentatie

4. De afsluiting

Dilemma's

De term dilemma duidt gewoonlijk een keuze aan uit twee of meer alternatieven, die even (on)aantrekkelijk zijn. De keuze kan daarom niet alleen op een logische basis gemaakt worden. De weg om uit een dilemma te geraken is dan ook vaak een zeer persoonlijke keuze. (wikipediA, 2015)

Kennis hebben van dilemma's en de mogelijkheden om er mee om te gaan.

Kennis hebben van dilemma's en de mogelijkheden om er mee om te gaan kan m.b.v. :

Het stappenplan:

Fase I Verkenning.

1.Welke vragen roept deze casus op?

Fase II Explitering

2. Wat is de morele vraag?

3. Welke handelingsmogelijkheden staan op het eerste gezicht open?

4.Welke feitelijke informatie ontbreekt op dit moment?

Fase III Analyse

5. Wie zijn bij de morele vraag betrokken en wat is het perspectief van de betrokkenen?

6.Welke argumenten zijn relevant voor de beantwoording van de morele vraag?

Fase IV Afweging

7. Wat is het gewicht van deze argumentatie in deze casus?

8. Welke handelingsmogelijkheid verdient op grond van deze afweging de voorkeur?

Fase V Aanpak

Welke concrete stappen vloeien hieruit voort? (Delden, 2010)blz.18

Waarden

Een morele waarde: is een ideaal, een principe betreffende goed samenleven, dat we proberen te realiseren door middel van ons gedrag. Voorbeelden van waarden zijn:

• Gezondheid

• Veiligheid

• Respect

Iedereen kan waarden nastreven in zijn of haar leven. Het geheel van die waarden vormt dan een omschrijving van een “goed leven”. Hierin kunnen waarden als gezondheid, vrijheid en veiligheid worden genoemd, maar ook rechtvaardigheid, solidariteit of gelijkwaardigheid.

(Dalen, 2009)blz. 60.

Normen

Een morele norm, kortweg norm, is een zelfopgelegde regel die gedrag voortschrijft met betrekking tot goed samenleven.

Normen hebben betrekking op je persoon. Ze tonen wie we zijn. Veel van deze morele regels leer je van je ouders, op school en in de sociale omgeving waar je opgroeit.

Voorbeelden van morele regels zijn:

• Je mag een ander geen pijn doen.

• Je mag niet liegen.

• Je moet je ouders gehoorzamen

• Je moet je beloftes nakomen

Dergelijke regels zijn vaak fundamenteel voor het leven. Als je ze niet volgt lever je een beetje van je persoonlijkheid in. (Dalen, 2009) blz.58.