Toekomst

Hoofdstuk 2 grammatica deel 2

Future

Future met will:


Als iets in de toekomst gaat gebeuren gebruik je will.

In het Nederlands is dat zal of zullen.

In een gesprek gebruik je de verkorte vormen zoals 'Il voor will en won't voor will not.

Bijvoorbeeld: it will going to storm tomorrow.

It won't happen again


Future met to be going to:


Als je verwacht dat er iets gaat gebeuren gebruik je to be going to.

Je gebruikt het alleen als je 100% zeker weet dat het gaat gebeuren.

Bijvoorbeeld je weet zeker dat je tand er morgen uitgaat omdat hij super los zit.

In het Nederlands gebruik je gaan of een vorm van gaan + het hele werkwoord.

Voorbeeld: its going to be Stormy at night.

I know he is going to is uncle this morning.


Future met present continuous:


Als iets binnenkort gaat gebeuren zoals bijvoorbeeld bij een afspraak of een feestje gebruik je de present continuous.

Bijvoorbeeld: in 2 days we're meeting the president.

He's leaving to early.


Future met present simple:


Als je over de toekomst praat heb je het over de present simple.

Bijvoorbeeld wanneer de trein vertrekt, of waneer het Hoelaat het vliegtuig morgen land.

Bijvoorbeeld: in about an hour the train leaves.

Next week the airplain leaves at 5 am.