Geschiedenis docent omgangskunde

Samenvatting van 100 bladzijden over omgangskunde

Samenvatting geschiedenis van omgangskunde

Virtuele tomaten en conceptuele pindakaas

Boek van Goos Geurtsen (uit 1994)

Inleiding

In eerste instantie geschreven voor de marketing- en communicatiewereld.
De schrijver wil in het boek het Nieuwe Denken en de nodige verdieping en nuancering aandragen.

De informatie en het ideeëngoed wat aangedragen wordt, wordt slechts beschouwd als de grondstof voor de gedachten die je zelf gaat vormen. De gedachten worden onze realiteit.

Het boek is bedoeld als stimulans en vrijbrief voor eigen interpretaties, om eigen patronen te ontdekken en verdere ideeën op te doen. Er staan denklijnen in waarlangs verandering kan plaatsvinden.

Het Westen zit vast.

In alle geledingen van onze (westerse) samenleving is te zien hoezeer ons denken en doen zijn vastgelopen. Onopgeloste problemen stapelen zich op en er is geen uitzicht op verkleining met behulp van de bestaande methoden. Gedemotiveerde mensen, men mist zingeving in werk en in hun leven. Ingrijpen van overheid in systemen als de gezondheidszorg en werkgelegenheid blijft vaak vruchteloos en het verliest tevens meer greep op de vluchtelingenstromen, asielopvang en illegaal werk.

Er vindt enorme kapitaalvernietiging plaats en de vreugde aan materiële bevrediging begint bij de mensen af te nemen. De kritische en goed opgeleide consument, wordt nog steeds als melkkoe gezien en zonder respect ‘bewerkt’.

In reactie hierop ontstaat er een beweging die terug wil naar oude dogma’s. Helaas het verbeteren van methoden levert hooguit slechts kort-termijnsuccesjes op.
Met de groeiende stapel onopgeloste problemen, gaat men zoeken naar andere, nieuwe wegen voor oplossingen en staat men open voor onorthodoxe denkwijzen.

Waarom zit het westen vast?

Behalve de versnippering van het denken en doen is de samenleving complexer en veelomvattender geworden. WE lopen met eenzijdig denkende hersenen rond in een wereld vol dynamische processen. We zien de wereld als een machine en houden ons voornamelijk bezig met het bestuderen van haar onderdelen. Met complexe problemen daarentegen hebben we grote moeite; aids, verslaving, ecologie, vereenzaming en zingeving zijn eenvoudig op te lossen door ketens van overzichtelijke stappen.

Een wereld gebaseerd op machine beelden is een wereld vol grenzen. Dit geeft ons een sterk gevoel van vastigheid, structuren en veiligheid.
Het individualisme viert zijn hoogtij. Het analytische denken heeft de verwondering, de intuïtie en de creativiteit verdrongen. We zijn vergeten hoe rijk de mens aan mogelijkheden is. We worden alleen maar geacht om ons eigen trucje te verbeteren.

Hoe komen we tot een nieuw Westen?
De wet van onvoorspelbaarheid die zullen we als zodanig moeten accepteren om oplossing te scheppen voor complexe problemen. Het leven blijkt geen invuloefening.

We komen in een periode dat we intelligentie en creativiteit nodig hebben. Verschillen met elkaar delen door nieuwe verbanden te leggen tussen alles wat er is en van daaruit te kijken en uit te wisselen, door te scheppen wat er nog niet eerder is geweest. Alles is continue in wording, waarbij de afloop wordt bepaald door alle deelnemers; mensen, dieren, planten het hele universum. Dit alles maakt deel uit van een interactief proces.

We gaan terug naar onszelf, naar binnen. We combineren Oosterse en Westerse inzichten. Niet alle verandering zal door iedereen als verbetering worden gezien. Is er sprake van harmonie dan is dit geen harmonie van de uniformiteit, maar van het zoeken naar balans tussen uitersten.

De Oude ordening -> zie figuur pag. 9 en De Nieuwe ordening-> zie figuur. pag. 10.


Mens. Het geheim van zijn

“Geluk” wordt gewoonlijk gedefinieerd als een toestand van welzijn of een plezierige ervaring, maar dit concept van geluk is slechts een klein onderdeel van de positieve psychologie.
Positieve psychologie is het wetenschappelijke onderzoek naar de sterke punten en deugden die individuen en gemeenschappen laten gedijen.

Positieve psychologie heeft drie centrale punten:

1. Positieve emoties,

2. Positieve individuele eigenschappen en

3. Positieve instituten.

Ad. 1; het begrijpen van positieve emotie houdt de studie in naar tevredenheid over het verleden, geluk in het heden en hoop voor de toekomst.
Ad. 2; het begrijpen van positieve individuele eigenschappen houdt de studie in van de sterke punten en deugden; het vermogen lief te hebben, moed, weerbaarheid, zelfkennis etc.

Ad. 3; het begrijpen van positieve instituten houdt de studie in van betekenis en doel, alswel de sterke punten die een maatschappij beter kan maken; gerechtigheid, verantwoordelijkheid, ouderschap, tolerantie etc.

Ieder organisme streeft nar geluksgevoelens. Het boeddhisme heeft dat ook als uitgangspunt. Het stelt dat geluk op twee manieren kan worden bereikt.

1. Door het waargenomen object te veranderen of

2. De waarnemende geest te veranderen.

Ofwel voor het ervaren van geluk is een ervaring nodig waarbij een stimulus wordt ervaren door een geest. Bijvoorbeeld: Na een harde week werken, neem je op vrijdag een welverdiend glas bier. Hoogstwaarschijnlijk ervaar je een moment van geluk. Voor dat geluksmoment zijn een waarnemende, ervarende geest nodig en een waargenomen, ervaren object (het glas bier).

Dus als je gelukkig wil zijn kun je de weg van het Westen volgen: de objectwereld aanpassen aan je perceptie van geluk, of je volgt de weg van het Oosten: je kunt je ervarende, waarnemende geest te trainen met alles gelukkig te zijn.

Het boeddhisme stelt dat de mens van nature volmaakt gelukkig is. Echter, deze is afgedekt geraakt door allerlei vertroebelende mentale constructies, waardoor wij structureel ongelukkig zijn met af en toe een moment van geluk. Simpel stellen boeddhisten dus dat ultiem en continu geluk alleen te vinden is als de ervarende geest zo wordt getraind dat zij niet meer wordt verstoord door ergernissen aangaande de ervaren en waargenomen objectwereld. Het is de geest die geluk of ongeluk ervaart en niets anders.

In het Westen is een punt bereikt dat, doordat alle tekorten en behoeften structureel te bevredigen zijn, een enorm potentieel ontstaat voor zelfactualisatie en verlichting, ofwel de ruimte om de eigen geest zo te gaan trainen dat structureel geluk mogelijk wordt.

Dat echt mens-zijn kan worden bereikt.

Het gedrag ofwel de motivatie achter het gedrag van mensen die hun prioriteit hebben liggen bij het aanvullen van tekorten of het invullen van behoeften, is vergelijkbaar. We spreken dan ook van tekort-behoefte-motivatie. Voor het aanvullen van dan wel opheffen van tekorten en het invullen dan wel bevredigen van behoeften is altijd een sociale context, ofwel groep nodig. Zonder deze groep is dit niet mogelijk.

In het Westen is onze geest altijd voornamelijk naar buiten toe gericht geweest. Wij hebben echter nooit de geest gebruikt om de geest te bestuderen.

De boeddhisten doen dat echter al 2500 jaar. En met succes. Vandaar dat we nu gaan kijken naar het boeddhisme vanuit een praktisch westers perspectief.


Blz 25 tot en met 45

In 1984 is er een symposium georganiseerd voor de vakgroep Omgangskunde (OK). Dit symposium was om verdieping op het leefgebied van OK te bespreken.
Omgangskunde als heroriëntatie op waarden.
De docent Ok gaat leerlingen opleiden voor een beroep in de hulp-, en dienstverlening. Deze leerlingen zullen in staat moeten zijn om te handelen. En het gaat dan niet allen om het uitvoeren van procedures en regels, maar ook om het zo om kunnen gaan met mensen dat hun welzijn en gezondheid wordt bevorderd.
Kunnen handelen en kennis.
Met mensen omgaan is niet noodzakelijk altijd op kennis gestoeld. Blijkbaar zijn er mensen die iets hebben wat ze geschikter maakt voor een beroep als bijv: Agogisch werker en er zijn mensen die hebben dat in mindere mate. Kennis over mensen, de bejaardenzorg, de subtiele receptiviteit van een baby, enz, leidt er niet zomaar toe dat iemand een betere hulpverlener is.
Goede hulpverleners zijn de beschrijven als mensen die op een scala van eigenschappen en kenmerken gemiddeld meer te bieden hebben.
Een goede hulpverlener is zelfbewuster die over zijn eigen houding en waarden durft nadenken. Zij zwalken niet van de ene mening naar de andere. Zijn nog rigide en defensief vasthoudend van wat ze vinden. Ze zijn weerbaar. (blz 29)
De leerling en zijn voorgaande ontwikkeling
Alle leerlingen hebben verschillende persoonskenmerken en gedragingen. Deze heeft de leerling opgedaan in zijn leefwereld vanaf zijn geboorte. Hier leert hij hoe je omgaat met anderen. Zijn kennis is in het begin louter ervaringskennis: hij heeft nog niet de beschikking over concrete verbale uitdrukkingen, laat staan over abstracte begrippen. De betekenissen die de leerling aan zijn ervaringen leert geven worden sterk gekleurd door de mensen in zijn onmiddellijke nabijheid.
Pas later wordt de kennis meer conceptueel. Die kennis is in het begin puur lichamelijk en wortelt in het gevoel.
Elke leerling reageert vanuit zijn eigen perceptie van de ervaring en gewortelde gevoelens die hij opgedaan heeft. De wijze waarop leerlingen zaken beleven en handelen, behoort tot hun persoonskenmerken. Het heeft niet te maken met theoretische kennis. Het zit in de manier waarop we in de wereld staan, de manier waarop ze de wereld zien. Het zit in de manier van betekenisgeving.
OK en affectieve kennis
Bij Ok zal het gaan om kennis die je raakt en die in je leven een rol heeft gespeeld. Je zal er dan achter komen op welk wereldbeeld je reageert. Hoe kijk je tegen verschijnselen aan en vanuit welke betekenisgeving handel je. Je begeleidt de leerling bij het proces tot bewustwording. Eerst ga je op zoek naar de gevoelscomponent. De tweede is de waarderingscomponent. Vragen als: wat betekent dit voor mij en hoe waardeer ik dit, zijn een start naar bewustwording van eigen handelen.
De grote opgave om Leerlingen te begeleiden bij het proces van heroriëntering op de eigen ervaringen, herwaardering van de eigen ervaringen om ze daarmee in staat te stellen autonome en creatieve beslissingen te nemen over hoe ze verkiezen te handelen.
Het ontwikkelen van een beroepshouding, een grensgeval.
In dienst- en hulpverlenende beroepen hangt de kwaliteit van de zorg, de hulp nauw samen met persoonlijke kwaliteiten van de beroepsbeoefenaar, met zijn of haar houding. Een goede hulpverlener is geen engel of heilige die altijd optimaal communiceert. Maar hij heeft wel die kwaliteiten wel beschikbaar. Hij heeft de mogelijkheden daartoe in zichzelf ontwikkeld. Dat geheel van gedragsmogelijkheden van de hulpverlener, dat hem of haar in staat stelt om adequaat te helpen of te begeleiden, dat noem ik een beroepshouding.
Aspecten van beroepshouding
Er spelen steeds 4 houdingscomponenten bij een beroepshouding.
weten
voelen
kunnen
waarderen
Leren functioneren is in veel opzichten vergelijkbaar met andere leerprocessen. Wat vindt jezelf zinvol waar geeft je betekenis aan.
Grensgeval
Bij het ontwikkelen van een beroepshouding gaat het niet alleen om iemands concrete kennis, mening, reactie of beleving. Het gaat ook om de grondvormen van hoe iemand denkt, waarneemt, de dingen beleeft en waardeert. Leren functioneren, betekent meestal niet alleen bijleren maar ook loslaten en soms afleren. Groeiprocessen hebben tijd nodig, ze kunnen niet willekeurig versnelt worden of vertraagd worden. Groeiprocessen zijn altijd individueel. Elke leerling en docent maakt zijn eigen unieke ontwikkeling door.
Verlies en winst
Leren functioneren, stelt hoge eisen aan de begeleider. Hij moet aandacht hebben voor de individuele leerprocessen in een groep van 20 leerlingen/personen. Het leren in een groep zonder feedback leren geven kan als veiliger geïnterpreteerd worden. Feedback geven aan elkaar en hoe doe je dat enz. Maakt het soms een stuk onveiliger voor de persoonlijke leerprocessen.
De kwaliteit van zorg
Goede hulpverleners hebben oog voor de individualiteit en de identiteit van de mensen met wie ze werken. Niet vast zitten aan hun eigen waarden en normen waardoor hospitalisatie van zowel hulpverlener als cliënt kan ontstaan. Het is goed om steeds jezelf de vraag te stellen wat heeft de cliënt nodig welke keuze geeft deze aan. De opleiding heeft een taak om hun leerlingen niet te hospitaliseren maar open te staan voor de autonome cliënt.
Methodische stagebegeleiding
De balans tussen de opleiding en stageplaats moet de stagiaire de kans geven om te leren. Er zal een goed contact moeten zijn tussen werkveld en stagebegeleider. Een goed stage werkplan als onderdeel van het school werkplan is een noodzakelijke leidraad voor het handelen in de praktijk.
Visie op praktijkleren
Bij stagebegeleiding gaan we uit van actief leren. De stagiaire participeert in de beroepssituatie en leert met behulp van een stage contract waarin zelf geformuleerde leerdoelen zijn opgenomen. De stagebegeleider is meer reactief en luistert en begeleid het leerproces. Door het geven van feedback en het bewaken van het leerproces op de achtergrond.
Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan het verder ontwikkelen van de beroepshouding waarbinnen de beroeps specifieke vaardigheden geïntegreerd kunnen worden.
Spanningsvelden in de stageperiode
Het stage werkplan biedt een kader waarbinnen stagiaire en stagebegeleider zich bewegen.
1. Leerwensen en leerweerstanden
De stagiaire wil graag leren op de werkvloer maar dit roept ook onzekerheden op. Zoals past dit beroep bij mij en kan ik wel wat ze van mij vragen. Vaak helpt het wanneer de begeleider de weerstanden accepteert. Ze krijgen dan bestaansrecht en ze kunnen besproken worden. Mocht het zo zijn dat de stagiaire nog te weinig houvast en structuur mist, kunnen op de praktijk gerichte opdrachten een doeltreffend hulpmiddel zijn.
2. Leiden en begeleiden
Wat heeft de stagiaire op dat moment in die situatie nodig. De attitude van de stagebegeleider is dan belangrijk. De begeleider zal zich kwetsbaar op moeten kunnen stellen.
3.Begeleiden en beoordelen
Er moet sprake zijn van wederzijdse betrokkenheid en in deze werkrelatie wordt op de stagiaire in de gelegenheid gesteld de eigen leermomenten zo optimaal mogelijk te benutten. Confrontaties worden aangegaan en conflicten worden uitgewerkt. De stagebegeleider die vanuit zijn positie de eindverantwoordelijkheid draagt voor de beoordeling van de stage.
4.Leerdoelstellingen en onderwijsdoelstellingen
Het stage werkplan van de school verschaft duidelijkheid over de leerdoelstellingen.
De stagiaire wordt gevraag om eigen leerdoelen te formuleren en wordt actief en zelfgeleid leren gestimuleerd. Het lijkt een paradox maar het is een samenspel van verschillende factoren. Door eigen leerdoelen te formuleren geef je de autonomie van de leerling aan. Ieder heeft een ander leerstijl, niveau, ontwikkeling enz. Om verwarring te voorkomen is het verstandig om vooraf de leerdoelen te bespreken. In hoeverre zijn deze haalbaar en zijn de school en leer doelen op elkaar afgestemd.
5 Visie op het beroep in opleiding en werkveld.
Het is belangrijk dat de opleiding goede voorlichting geeft over het onderwijsprogramma, de plaats binnen de stage, en over de beginsituatie en de mogelijkheden van de stagiaire. Zo kan voorkomen worden dat de stagiaire in een moeilijk te hanteren spanningsveld terecht komt. Tussen opleidingsvisie en werkveldvisie of dat deze de dupe worden van conflicterende ideeën. Hier zit ook een positieve visie in en dit is dmv van reflectie de stagiaire stimuleren tot een eigen visie te ontwikkelen.
Integratie
Het studieprogramma kent diverse onderdelen die gericht zijn op stagebegeleiding, leerlingbegeleiding en supervisie.
Het hele docenten team zal betrokken moeten zijn bij het leerproces van de leerling. Pas dan zijn er voldoende garanties aanwezig voor een echte geïntegreerde benaderingswijze.

De docent omgangskunde als stagbegeleider
Er zijn 3 leerprocessen.
1. Kennis
2. Vaardigheden
3. Beroepshouding
Kennis
Dev kennis die de leerling heeft opgedaan leren zij op school van de leraar en voor de leraar. Zij ervaren dit niet als kennis die zij hebben maar zijn onzeker. Stagiairers moeten nog vaak leren zich een zinvolle wijze van leren eigen te maken. Zij vinden het moeilijk om opgedane “veelal betekenisloze” kennis toe te passen in betekenisvolle beroepspraktijk.
Vaardigheden
In de eerste stage imiteert de stagiaire de vaardigheden van de beroepskracht. Het geeft veiligheid. Reflectie op het handelen, neemt nog niet plaats. Zij vragen van de docent pasklare vaardigheden. Zodat de stagiaire aan de slag kan.
Beroepshouding
Dit kenmerkt zich ondermeer door het zich kunnen verplaatsen in de ander, het kunnen accepteren en respecteren, en het kunnen concretiseren, exploreren en reflecteren van eigen handelen. Het ontwikkelen voor het open kunnen staan voor bewustwording en het kunnen reflecteren van het eigen functioneren. Wanneer de stagiaire zich steeds meer bewust wordt van eigen handelen dan, wordt het steeds meer mogelijk om eigen keuzes te maken. Waardoor veranderingsprocessen bij zichzelf en collega’s gestimuleerd kunnen worden.
De methodiek van de stagebegeleiding
Richten op reeds verkregen vaardigheden, dit geeft veiligheid en zekerheid. Door vragen te stellen naar hoe wordt er gewerkt en wat maakt dat je het zo hebt aangepakt ontstaat er lamngzamerhand verdieping.
De docent omgangskunde als stagebegeleider
Het leergebied omgangskunde richt zich op bewustwording- en veranderingsprocessen en op het ontwikkelen van een beroepshouding. Op deze wijze krijgen de cognitieve en psychomotorische leerinhouden van OK meerwaarde. De lessen sluiten aan bij de belevingswereld van de leerling/stagiaire.
Schoolwerkplan en omgangskunde. (blz44)
Leerplanontwikkeling?
Uitgangspunten, Doelstellingen, Schoolorganisatie, Visie op inhoud, Werkvormen, Toetsing , Stage, Rapportage.
Opvattingen over het schoolwerkplan
1 augustus met mdgo van start gaan moeten we toch weten wat we gaan doen. Een schoolwerkplan vanuit een statisch idee is het begrijpelijk dat je er als een berg tegenop ziet. Immers een visie document ontwikkelen is mooi maar als het onderin de la terecht komt. Is het veel werk.
Schoolwerkplanontwikkeling als proces.
Door de visie en inhoudelijke processen met het docenten team te bepreken. Kunnen aanpassingen trends en andere ontwikkelingen geïntegreerd worden. Zo wordt het niet een statisch proces maar en proces wat creativiteit en betrokkenheid creëert. Er worden 2 belangrijke functies genoemd om te werken aan een schoolwerkplan. Het schoolwerkplan en het verborgen leerplan. De omgang met elkaar spelen onze eigen waarden en normen een rol. Hoe gaan we met elkaar om en welke rol spelen wij zelf in interactie.
Het verborgen leerplan en omgangskunde.
Onder goed professioneel en methodisch omgaan, sterker nog, onder goed professioneel en methodisch omgaan, wordt voor een belangrijk deel bepaald door onze eigen waarden en normen, door onze ideeën over wat goed is en wat niet. Zolang we elkaar hierover niet bevragen zal ieder van ons een eigen invulling geven en blijft het leerplan verborgen. Het moet een proces blijven waarin we elkaar bevragen naar het hoe en wat. Alleen hierdoor wordt het geen statisch proces maar een organisch steeds lerende omgeving.

Geschiedenis van Omgangskunde

Blz. 50-75 ok= omgangskunde.

Gaat over ervaringsleren. Leren door ervaring leidt tot specifieke kennis (persoons-en situatie gebonden)

Ervaringsleren vooral van toepassing als het gaat om zicht krijgen op jezelf, leren omgaan met anderen of leren over de eigen situatie.

Start à opdoen ervaringenà uitwisselen aanwezige ervaringen

|

Voorbereiden

Op nieuw handelen. Overdenken

^

Doorleven

Verwerken

| |

| Inzicht opdoen

|__ Nieuwe gevoelens ontwikkelen

Nieuwe vaardigheden opbouwen

Wanneer werken met ervaringen.

Theorie wenselijk in ervaringssituaties. Het wordt dan binnengehaald en doordacht en doorleefd. Vindt een integratie plaats tussen de eigen leefwereld van lerenden en de wereld van buitenaf.

Waar in een opleiding een leerproces begint, hangt af van de beginsituatie van studenten. Als er ervaringen aanwezig zijn kan begonnen worden met analyse en onderzoek. Bij geen ervaringen moeten die ervaringen eerst opgedaan worden.

De doelstellingen van het leerproces moeten zich lenen voor ervaringsleren.

Lerenden moeten ook bereid zijn van hun ervaringen te leren, er moet vertrouwen en openheid zijn tussen de betrokkenen.

De workshop.

Deze workshop is opgezet vanuit het oogpunt dat ervaringsleren naast andere vormen van leren een belangrijke leerweg kan zijn voor studenten en docenten in het MBO.

Deelnemers vormen subgroepen van drie of vier personen en krijgen de volgende opdrachten:

1. Ga na wat je moeilijk vindt in het geven van onderwijs aan studenten.

2. Praat in de groep over 2 geselecteerde zaken die je moeilijk vindt.

3. Wissel de moeilijkheden in je subgroepen uit en selecteer de overeenkomsten.

4. Bespreek de overeenkomsten plenair en schrijf ze op een bord zodat iedereen ze ziet.

5. Kies weer uit het plenaire het meest overeenkomende.

Vervolgens wordt het meest overeenkomende aan de hand van vier stappen doorgewerkt:

1. Wat is onze moeilijkheid

2. Wat willen we in onze situatie?

3. Wat kan er allemaal spelen in onze situatie?

4. Wat zou je kunnen proberen te doen?

Vervolgens worden er enkele voorbeelden van workshops gegeven. (pagina 52)

Zie ook bijlage pagina 54 nog een schema .

De inhoud van het vak ok op de SOL.

De vakgroep omgangskunde aan de SOL bestaat sinds 1975. Als leidraad om de opleiding OK vorm te geven diende het Colbo rapport.

Hieronder volgt weer een workshop die deelnemers een beeld van het huidige opleidingsprogramma moet geven. Alleen de vakinhoudelijke component wordt besproken.

Inhoud:

Een korte voordracht over de vakinhoudelijke invulling van het programma.

Daarna een kaartspel met werkvorm.

Bij de voordracht wordt een overzicht van hun invulling van het vak gegeven.

Diverse aspecten vak OK:

1. Vakthematisch aspect. Bijv. waarom gedragen mensen zich zoals ze zich gedragen?

2. Funktionerings aspect. Zicht krijgen op eigen wijze van omgang met mensen.

3. Doelgroepsaspect. Welke kliëntgroepen maken gebruik van de hulp-en dienstverleningsinstellingen behorende tot werkveld van Mdgo-opgeleiden.

4. Visie aspect. Onderwijs geven vanuit een visie, vanuit welke visie werk je met mensen binnen hulpverlening.

Enkele uitgangspunten die ten grondslag liggen aan het programma:

· Thematisch onderwijs. Het thema vormt het centrale onderwerp van een studiejaar of blok

· Principe van het ervaringsleren. Dus iegen ervaringen student vormen mede de leerstof.

· Zelfverantwoordelijk leren. Studenten dragen in toenemende mate eigen verantwoordelijkheid voor leerproces.

· Gebruik van groep als leer-en oefensituatie. Oefensituatie bij het bespreken, toepassen en verwerken van leerstof.

· Participerend leren. Studenten nemen onder begeleiding deel aan praktijksituaties.

Kaartspel:

Deelnemers in drie subgroepen verdelen, om aan te kunnen geven wat zij belangrijk vinden bij de invulling van het vak ok.

Iedere subgroep krijgt enveloppe met twintigtal kaartjes. De kaartjes moeten op een flap worden opgeplakt. Eventuele manco’s toevoegen. Iedere groep moet de eigen flap toelichten. Heel belangrijk voor de persoons- en beroepsvorming. ( zie pagina 57 voor wat er op de kaartjes staat)

Jos Schutter. Met elkaar. Docenthandleiding A.

In het woord vooraf wordt gesteld dat er twee soorten docenten ok bestaan: de eerste soort legt vooral nadruk op vormend aspect van vak, werkwijze is proces gericht. Andere docent is meer kennis gericht.

Schrijver vraagt zich af of er meerdere methodes om ok te doceren moeten ontstaan of dat één methode voldoende is. In dit boek is gekozen voor een methode die de leerling wil aanzetten tot nadenken over zichzelf en over de manier waarop hij met andere mensen omgaat.

Onderwijskundige uitgangspunten:

Plaatsbepaling vak ok.

Een van de meest gebruikte definities van begrip ok is uit het Colbo rapport uit 1974; “omgangskunde is de kunde die een aantal inzichten uit de menswetenschappen systematiseert en deze op een doordacht didactische wijze zo combineert met de in de ervaring en in de sociale wetenschappen gefundeerde methode en technieken, dat de vorming tot professioneel en methodisch omgaan met mensen in de dienst- en hulpverlenende beroepen wordt bewerkstelligd. “

Doel: leren zorgvuldig en deskundig omgaan met jongeren, volwassenen en ouderen.

Er is sprake van een kunde, waarvan wordt aangenomen dat die “kunst” onderwezen en aangeleerd kan worden.

Het is de theorie die o.a. handelt over de oorzaken van ons gedrag, groepsgedrag, intelligentie, de ontwikkeling van de mens etc.

Leerling moet binnen ok zelf vorm geven aan sociale relaties o.a. door theorie.

Zorg kost in de samenleving hoe langer hoe meer geld, belangrijk is dat mensen inzien dat de kwaliteit van de zorg voor groot deel afhangt van de kwaliteit van hoe wij om gaan met onze medemens. De relatie hiertussen is een voorwaarde, middel en een doel.

In zijn werksituatie zal de leerling vooral gebaat zijn met een gevormde persoonlijkheid die in staat is

· Te reflecteren op eigen gedrag.

· Na te denken over eigen ontwikkelingsgeschiedenis

· Eigen mogelijk-en onmogelijkheden inschatten.

· Ervaren dat zijn gedrag geen statisch gegeven is.

Veel aandacht wordt daarom besteed aan die persoonsvorming.

Visie op leren

Het leren omgaan met mensen veronderstelt een wat ruimere visie op wat leren is.

Leren als kind, in relaties, conflicten oplossen, verantwoordelijkheid dragen, in toekomstig beroep moet student professioneel omgaan met patiënten, klanten, bewoners, leerlingen enz.

Deze vorm van leren, moet aan minstens drie voorwaarden voldoen.

1.leren en leven moeten elkaar wederzijds beïnvloeden.

2. ervaringen en beleving leerling moet centraal staan.

3. leerling moet zich bewust blijven van eigen verantwoordelijkheid t.a.v. toekomstig handelen.

Naast het kennis leren bestaat het ervaringsleren.

8 kenmerken:

1. Gericht op het verhelderen van ervaren probleem-situaties.

2. De leerinhouden komen voort uit de ervaringen van de leerlingen.

3. De ervaringen worden opgedaan in binnen-en buitenschoolse leersituaties.

4. Door de leerling zelf wordt richting gegeven aan het leerproces.

5. Ervaringsleren gericht op verwerven kennis, attitudes en vaardigheden.

6. Door de ervaring zal het geleerde eerder geïntegreerd worden in de persoonlijkheid van de leerling.

7. Beter inzicht in leervermogens en bewuster gebruik ervan.

8. Een zelf kritische houding wordt bevorderd, kan leiden tot nieuwe gedragsmogelijkheden en veranderingen.

Hoofdgebieden van omgangskunde.

a. Menselijke situatie

b .Sociale vaardigheden

c .Beroepsmatig omgaan met mensen.

Ad. A. mens als persoon, menselijke ontwikkeling, groepsverbanden, mens in wisselwerking met omgeving.

Ad B. basisvaardigheden, vaardigheden tbv beroepsuitoefening, houdingsaspecten.

Ad C. mensen met en voor wie men werkt en kader waarbinnen men werkt. Beginselen, waarden en normen, doeleinden.

Opzet van deze methode:

methode bestaand uit twee delen: deel a: basisinformatie, die de leerling bij het omgaan met anderen nodig heeft.

Onderwerpen:

Wat is omgangskunde.

Wat is leren.

Mensen begrijpen,

Omgaan met gevoelens.

Het oordelen over mensen.

Communicatie.

Luisteren.

Observeren.

Lichaamstaal.

Omgaan met groepen.

Helpen van mensen.

Beroepshouding.

Samenwerken.

Deel b: informatie over de ontwikkeling van de mens, omgaan met mensen met een handicap, grenssituaties en enkele losse thema’s.

Kinderjaren.

Opvoeding.

Volwassenheid

Ouder worden.

Omgaan met gehandicapten.

Dementie.

Pijn.

Eenzaamheid.

Omgaan met privacy.

Sexualiteit en gehandicapt zijn.

Euthanasie.

Als mensen doodgaan.

Verwerking van de opdrachten vormt een aanvulling op de theorie en de leerling maakt de methode compleet door zijn eigen inzichten en die van mede leerlingen.

Omgangskunde in modulen. B.P.E.M. van Ruymbeke.

Ontwikkelingen in MBO vooral te maken met nieuwe aanbiedingswijze van leerstof. Modulair systeem.

In dit boek een zestal basismodulen. Leerstof die aangeboden wordt aan opleidingen verzorgenden, verpleger, assistenten gezondheidszorg, agogisch werk, activiteitenbegeleiding en mode en kleding.

Wat is omgangskunde?

Gaat over jezelf en anderen. Ok wil helpen beter inzicht te krijgen in je eigen en elkaars gedrag. Vaardigheden aanleren voor je beroep.

Naast de veranderingen die wetenschap en techniek met zich meebrengen, zie je ook veranderingen bij de mens.

Menselijke benadering speelt een grote rol, hoe onderscheid je je van een ander. Ook in gezondheidszorg en hulpverlening zien we dit.

Goede omgangsvormen worden op prijs gesteld. Niet iedereen denkt het zelfde over “hoe het hoort”.

Gezin en opvoeding bepaald voor een groot deel wat je normaal vindt. Veel omgangsvormen, bijvoorbeeld op gebied “hoffelijkheid” maken deel uit van een ‘spel’ tussen mensen. Het geeft houvast, je kunt er zelfverzekerder door worden, je kunt er een voorsprong door krijgen.

Omgangsvormen zijn niet altijd en overal hetzelfde, hangt af van de tijd waarin we leven, woonplaats/cultuur, leeftijd van de mensen, situatie waarin we verkeren.


Geschiedenis van Omgangskunde

Blz. 75 t/m 100 OK = omgangskunde

Op ziekenbezoek;

Zieke mensen vertellen in een vertrouwde situatie meer dan ze later willen weten. U mag er zelf in geen geval op terug komen. Van Helmond, etiquette, het spel van de omgang.

Een praatje bij de kassa, is wat ver formeel verwacht wordt. ‘omgangsvormen’.

Omgangsvormen zijn geen opgelegde gedragspatronen. Betekent geschikt gedrag in de omgang met anderen.

De wijze waarop met de mens wordt omgegaan bepaalt in beroepen mede de kwaliteit van het werk. Professioneel handelen. In je werk vertoon je de juiste persoonlijke omgang met de cliënt ende ander.

1.5 OK een vak apart;

OK richt zich op beroepsmatig omgaan met mensen en het leren hanteren van menselijke situaties.

Wie ben ik?

Doelen van het vak OK is, dat je jezelf beter leert kennen in de omgangssituaties. Bv minder of leuk ervaringen, eigenlichaam, je mogelijkheden, je beperkingen, je opvattingen, je emoties en je behoeften en voorkeuren.

Wie is de ander?

Kennis over anderen. Mensenkennis is niet voldoende om de ander te kennen. Daar zitten vaak vooroordelen in. Door goed op te letten, te luisteren en te kijken, dat is belangrijk!

Het begrijpen van jezelf en de ander?

Gedrag kennen en herkennen is niet voldoende. Begrepen worden leidt tot begrip, respect, acceptatie van de ander. Wanneer we mensen begrijpen weten we ook ‘waarom’ ze zich zo gedragen en kunnen we het gedrag plaatsen. Je krijgt inzicht. OK helpt je inzicht te krijgen in gedrag van jezelf en de ander.

1.6 OK en sociale vaardigheden;

Omgaan met mensen in de praktijk, met jezelf en de ander is je doel. Hiervoor beschik je over de vlg vaardigheden nml;

- gesprek beginnen, kunnen luisteren, kunnen inleven in de ander, conflicten kunnen oplossen, kunnen rapporteren.

Door te oefenen van vaardigheden maak je dit jezelf eigen. OK is zoel een leervak als een doe vak. Goed luisteren kun je wel maar dat doe je niet altijd! In beroepsmatige situaties wordt dit wel van je verlangd. Dit noem je beroepshouding.

1.7 OK en beroepshouding

Er is meer nodig dan vak kennis. Naast vak kennis wordt een bepaalde houding verwacht. Dit noem je beroepshouding.

1.8 Hoe gaan we in de lessen OK aan het werk;

OK is niet alleen leren maar vooral doen en oefenen.

1.9 Samenvatting

Menselijke omgang verandert wanneer de samenleving verandert.

Omgang met mensen vereist;

- Kennis van de ander, van jezelf, begrijpen van de ander, begrijpen van jezelf, het beheersen van een aantal sociale vaardigheden.

OK in modulen - A.C. Verhoef

Omgangskunde nader bekeken;

1. Inleiding

Definitie OK in deze module; OK is het vak dat zich richt op het beroepsmatig leren omgaan met mensen en het leren hanteren van menselijke situaties.

Deze zin splitsen we op in drieën;

- OK is een vak

- Beroepsmatig leren omgaan met mensen

- Leren hanteren van menselijke situaties

2. OK is een vak

OK ook wel omgang en kunde. Menselijke omgang; zowel hoe mensen met elkaar omgaan als hoe jij met mensen omgaat! Kunde; wil zeggen dat je het kunt eren! Omgaan met mensen kun je leren.

3. Het beroepsmatig leren omgaan met mensen

Omgangsvaardigheden zoals bv luisteren en een gesprek voeren….

Er wordt vanuit gegaan dat je een aantal vaardigheden al bezit; je hebt je ze al eigen gemaakt. Daarnaast zijn er vaardigheden die je nog moet leren.

Wanneer je een ontwikkeling doormaakt, dat je kunt veranderen. Je neemt jezelf mee in elke omgangsituatie. Je kijkt dus niet alleen naar de ander als mens maar vooral ook naar jezelf.

4. Het leren hanteren van menselijke situaties

Het woord hanteren verwijst naar; beheersen, maar ook wel leren omgaan. Menselijke situaties die typisch menselijk zijn. Zoals;

- Persoon; gevoel, gedrag, normen en waarden…

- Ontwikkeling

- De mensen levend en werkend in een groep

- De mens en zijn sociale omgeving

Het leren hanteren staat hierbij centraal. We kijken niet alleen naar wat is gedrag, wat is een groep maar we kijken ook naar houding ten opzichte van een situatie en naar de professionele omgang met de mens in de situatie. Bv angst; hoe is je houding, hoe ga je er mee om, en hoe gaat de ander ermee om. I.p.v. angst kun je ook zeggen; een ander gevoel of een andere situatie.

Wat je privé meemaakt wil niet zeggen dat je dit in je beroep ook kunt hanteren. Je kunt soms in je beroep weer met eigen pijn en verdriet geconfronteerd worden. Hierin moet je leren om afstand te nemen. Je zult dit eerst moeten verwerken.

Iedereen verschilt van elkaar, wat bij de ene helpt, kan bij de ander averechts werken.

Achtergronden van het vak OK

1. Inleiding

OK werd vroeger ook wel als vak pedagogiek of psychologie gegeven. Dit zijn ook gedrags- en wetenschapsvakken. OK maakt gebruik van deze en andere mens- en gedragswetenschappen.

2. Kenmerken van een wetenschap

Wetenschap= het geheel van de menselijke kennis. Wetenschap moet voldoen aan; objectiviteit en veelvuldig en grondig onderzoek.

2.1 de eis van objectiviteit

Objectiviteit zijn feitelijkheden. Geen beïnvloeding en geen vooroordelen. Objectiviteit speelt een rol bij onderzoek als bij een presentatie.

2.2 de eis veelvuldig en grondig onderzoek

Onderzoek doe je veelvuldig en door grondige studie. Je zult op verschillende manieren achter de waarheid komen.

Definitie van wetenschap is; Het geheel objectief bekijken, gebaseerd op veelvuldig en grondig onderzoek van de menselijke kennis.

3. De mens- en gedragswetenschappen waarvan OK gebruik maakt

- Psychologie; gedrag van de mens

Specialisaties;

· Sociale psychologie; gedrag van de mens in relatie tot anderen

· Ontwikkelingspsychologie; enerzijds gedrag en anderzijds de ontwikkelingsfase waarin de mens verkeert.

· Functieleer; de vermogens die de mens tot zijn beschikking heeft.

- Agogiek; opvoeding, vorming, hulp en begeleiding van de mens.

Op te splitsen in;

· Pedagogiek; opvoedkunde

· Andragogiek; vorming, hulp, en begeleiden van volwassenen.

· Gerontagogiek; begeleiden van de oudere mens (65+)

Verzamelwoord hiervan is; Agogische wetenschappen!

- Orthopedagogiek; specialisatie binnen de pedagogiek bij lichamelijk of verstandelijk gehandicapt kind.

- Sociologie; Mensen in groepsverbanden.

- Filosofie; Levens en wereldbeschouwing, wat is de zin van het leven….

- Ethiek; zedenleer, normen en waarden, wat mag wel en niet.

Wat is omgangskunde

Geschiedenis van de studierichting OK

OK doet je denken aan omgangsvormen. Het is meer dan alleen een training in sociale vaardigheden.

Je studeert in de studierichting OK, om later het vakgebied OK te kunnen geven.

Je studeert brokken uit verschillende disciplines, zoals psychologie, agologie, sociologie. Je oefent in de methodiek agogisch handelen. Bv gespreksvoering, rollenspel, counselen, leerbegeleiding.

Studierichting OK; jij hebt straks als docent kennis en methodisch gehanteerde sociale vaardigheden nodig met middelen en materiaal voor het vakgebied omgangskunde binnen het MBO.

Geschiedenis

De Mammoetwet (officieel de Wet op het voortgezet onderwijs of WVO) is een Nederlandse wet die werd ingevoerd door de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen Jo Cals. De Mammoetwet trad in werking op 1 augustus 1968.

De industriële ontwikkelingen in de 20e eeuw hebben gezorgd voor een toename in de welvaart. Dit heeft er, samen met de democratiseringsbeweging in de jaren '60, toe geleid dat bepaalde groepen in de samenleving onafhankelijker werden van elkaar. Arbeiders kregen meer rechten en vrouwen waren niet langer afhankelijk van hun man.

1974 vrouwen/ meiden krijgen meer inspraak en er worden onderwijsinhoudelijke vernieuwingen gerealiseerd.

1960-1974 werd het keerpunt van een nieuw begin ook voor het vak OK;

- Binding van onderwijs en persoonlijke ervaring

- Onderwerpen kiezen die samenhangen met de praktijk en het maatschappelijke gebeuren.

- Persoonlijkheidsvorming

- Beroepsvorming

- Emancipatorische educatie

- OK profileren als leergebied.

Humanistische psychologie; stroming binnen de psychologie, opgericht als alternatief voor de dieptepsychologie en het behaviorisme. Gefocust wordt op de gehele, unieke mens, die in staat is met zijn vrije wil eigen keuzes te maken (zelfverwerkelijking), in plaats van op bepaalde onderdelen van de mens, zoals zijn driften (dieptepsychologie) of op het zoeken naar bepaalde wet.

Een docent OK heeft een goed gevulde gereedschapskist, met agogische- didactische methodieken en werkvormen nodig om prfessioneel dit onerwijsaanbod naar leerlingen toe te faciliteren in bv een beroepsspecifieke balietraining; omgaan met ‘lastige’ clienten. Ook hier gaat het om basishouding en verwerven en hanteren van mensenkennis, die nodig is in de relatie tussen werker en client.

Existentie ervaring = het bestaan.

Student OK verzameld basiskennis n basisvaardigheden om straks het vakgebied OK als person en in beroep vakgebied in het MBO te kunnen faciliteren.

Wie de perfecte docent OK wil worden, maakt zich het adegium van Waldemar Bonsels (1923) eigen!

‘leben in einer Zeit wo man Weg und Scheitender zugleich ist’.

(Leven in een tijd waar het is zowel de manier en de Scheitender??)

Preambule (inleiding) bij de kennisbasis voor het vak OK

Beschrijven van;

- Aanleiding en achtergrond

- Geschiedenis van het vak OK

- OK als 2e graad lerarenopleiding

- OK als vakgebied en bevoegdheid in het VO en MBO.

Aanleiding en achtergrond

Is voortgebouwd op de kennisbasis 2008.

Uitgangspunten zijn;

- Geschiedenis en betekenis van het vak OK

- Communicatie

- Socialisatie

- Ontwikkeling en levensloop

- Opvoeden en begeleiden

- Groepsdynamica

- Beroepshouding en ethiek

- Specifieke problematieken

- Organisatie en organisatieveranderingen

- Algemeen Vormend Onderwijs.

OK als 2e graads lerarenopleiding

OK kunnen we helemaal uit elkaar halen;

Om: omslag, verandering, omkijken-reflectie-rekenschap geven.

Gang: gaan, pad, weg, jouw weg, doorgaan, verdergaan, volhouden.

Omgang; met de ander, de anderen, samen, ontmoeten.

Kunde: de kunst van, vaardig in, creativiteit en bekwaamheid.

Omgangskunde: bekwaam in de psycho- sociale dynamica van het leven. Van jezelf, samen met de ander en alle anderen.

Leren en veranderen, gedrag en gedragsverandering staan central bij OK.

Onderwijskunde is daarom niet alleen relevant voor de opleiding maar ook het vak OK zelf.

OK als vakgebied en bevoegdheid in het VO/MBO

OK word ook wel aangeboden als;

Sociale vaardigheden, psycho- sociale dynamica, beroepshouding en persoonlijke ontwikkeling. Beroepshouding en sociale vaardigheden zijn in bevel sectoren een kernvak.

Op het VMBO wordt de docent OK vaak ingezet als groepsdocent en specialist in het omgaan met de leerlingen met specifieke gedrags- en leerproblematiek.