Werkwoord spelling

8-12-2014

persoonsvorm tegenwoordige tijd, verleden tijd, deelwoorden en infinitief


De persoonsvorm ziet er in de tegenwoordige tijd zo uit:

(De stam van het werkwoord is de vorm die je krijgt als je het werkwoord in de tegenwoordige tijd vervoegt met 'ik'.)


enkelvoud stam
ik loop

loop jij?


enkelvoud stam + t
jij/ u loopt

hij/zij/het loopt


meervoud hele werkwoord
wij lopen
jullie lopen
zij lopen





--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------




De persoonsvorm in de verleden tijd ziet er als volgt uit:

sterke werkwoorden
enkelvoud en meervoud

klinker in de stam verandert:
ik/jij/hij/zij/ het liep, wij/jullie/zij liepen


hele stam verandert
ik/jij/hij/zij/het ging, wij/jullie/zij gingen


zwakke werkwoorden
enkelvoud en meervoud

stam + de(n)
ik/jij/hij/zij/het gooide, wij/jullie/zij gooiden


stam + te(n)
ik/jij/hij/zij/het stopte, wij/jullie/zij stopten


Als de stam eindigt op ?n van de medeklinkers uit 't kofschip of 't fokschaap schrijf je stam + te(n). Anders schrijf je altijd de(n).

Opmerking 1:

Bij zwakke werkwoorden als verven en verbazen verandert de v en z aan het eind van de stam in een f of een s : ik verf , ik verbaas.

In de verleden tijd krijgen ze echter de(n) (ik verfde, ik verbaasde) omdat in het hele werkwoord een z en een v staan.

Opmerking 2:

Niet alle werkwoorden zijn op bovenstaande manier te vervoegen. Het Nederlands kent een aantal onregelmatige werkwoorden: hebben, kunnen, mogen, willen, zijn en zullen.


--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------


De spelling van deelwoorden



Voltooide deelwoorden




- Voltooide deelwoorden eindigen op -en: gelopen, verdronken, gesneden.
Ze veranderen nooit, ook niet als ze bijvoeglijk worden gebruikt:
De gelopen race, het verdronken schaap, het gesneden brood

Uitzonderingen op deze regel vormen deelwoorden die eindigen op -n.
Als je deze bijvoeglijk genbruikt, moet je zo kort mogelijk schrijven.
(vergaan - vergane, gezien - geziene)




- Eindigen op -d of -t: gered, gewit
Als je ze bijvoeglijk gebruikt, komt er een -e achter.
Je schrijft ze dan:
- zoals je ze hoort: het gerdde paard, het gewitte plafond
- zo kort mogelijk: de gehate dictator, de gepote bloembollen



Onvoltooide deelwoorden




Onvoltooide deelwoorden eindigen op d(e).
Voorbeelden:
zwaaiend(e), lachend(e), fietsend(e), etc.

Ook onvoltooide deelwoorden kunnen bijvoeglijk gebruikt worden.
Voorbeelden:
De hoestende leraar, de lachende agent, het hinnikende paard




--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------


De infinitief (onbepaalde wijs)




Als we een werkwoord moeten vervoegen gaan we uit van de infinitief. In een woordenboek wordt van werkwoorden altijd de infinitief gegeven.
De infinitief eindigt bijna altijd op -en: lopen, werken, leren, lachen etc.
Uitzonderingen: slaan, staan, gaan etc.



Engelse werkwoorden




Engelse werkwoorden worden vervoegd als zwakke werkwoorden in het Nederlands. Ze krijgen in de verleden tijd stam plus -de(n).
Voorbeelden:
rugbyde, jogde, tackelde

Als de stam eindigt op ?n van de medeklinkers uit 't kofschip of 't fokschaap schrijf je stam +te(n)
Voorbeelden:
faxte, racete